Hoe vaccins kinderkanker kunnen veroorzaken

Vaccinaties en kinderkanker

Sinds het aantal vaccinaties per kind per jaar toeneemt, zien we ook de
incidentie van kanker bij kinderen toenemen. En niet alleen bij jonge
kinderen, maar ook bij gevaccineerde huisdieren, zoals honden en katten.

Als oorzaak voor deze toename van kinderkanker zijn verschillende
variabelen/mechanismen aan te wijzen, zoals aluminium in vaccins plus
andere elektroactieve stoffen in vaccins, formaldehyde in vaccins, GP120 in
vaccins. Daarnaast is er nog het gebruik van kweekbodems vol cellen uit
humane tumoren.

De opeenvolgende 7 mogelijke veroorzakers van kanker bij jonge kinderen
worden in dit overzicht na elkaar besproken. Hoogste tijd dat deze
bijwerking van vaccinaties eens helder belicht wordt. Want zoals het er nu
uitziet is de vaccinatie-tak van de farmaceutische industrie bezig om de
kanker-tak een boost te geven.

En dat is natuurlijk niet de bedoeling, want dat is niet alleen gelijk aan
‘het paard achter de wagen spannen’, maar kanker (en leukemie) is een
ernstiger ziekte dan de kinderziekten waartegen wordt gevaccineerd.

Het is zelfs al zo dat niet alleen wordt toegegeven dat vaccins kanker
kunnen veroorzaken, maar dat er zelfs – al in 2012 – een meeting werd
belegd om te spreken over de mate van stilzwijgen over dit gegeven: “Wat vertellen we wel en wat vertellen we niet?”


Dit overzicht is niet het eerste document dat moet wijzen op het risico op
kinderkanker door vaccineren.

Het boek

Vaccinatie, het einde van een mythe
, door Viera Scheibner, 1994/1999

, is het eerste publieksboek dat wijst op het gevaar van kanker door
vaccinaties.

Daarom zal ik beginnen met hetgeen het boek van Viera Scheibner al vertelt
en vervolgen met andere aan het licht gekomen mechanismen.

De gevaren van SV40 (uit apennieren) in vaccins
………………………………………………2

De gevaren van het voor de antigenen gebruikte kweekmedium …………….…………7


Het gebruik van GP120 in vaccins kan leiden tot kanker
……………………………………………….12

Formaldehyde ……………………………………………………………………………..19


Depletie van fosfor en een groter risico op celdegeneratie en
ontwikkeling van kanker. 22

Hoe een door vaccinaties verlaagde zinkspiegel kan leiden tot een groter
kankerrisico25

Vaccinaties en de verdubbelde kankerincidentie bij honden en katten
………………..28

Aluminiumhoudende placebo’s bij vergelijkende trials …………………………………32


Chemotherapie en lagere titers van CD4-cellen
…………………………………………………………….33

Vaccins kunnen (kinder)kanker veroorzaken.


Evidentie voor vaccinatie als (mede)oorzaak van leukemie en kanker


Het boek Vaccinatie, het einde van een mythe, door Viera
Scheibner, 1994/1999,

maakt niet alleen korte metten met het idee dat vaccinaties zaligmakend
zouden zijn, maar geeft ook aan hoe groot de niet voorziene en sluipende
gevaren zijn van het wereldwijde vaccinatiebeleid.

Ik citeer enkele stukjes uit dit zeer interessante en lezenswaardige boek:


[…] De wijdverbreide incidentie van chronisch slechte gezondheid, een
schier eindeloze opeenvolging van ademweginfecties die bij jonge
kinderen in de regel resistent zijn tegen iedere behandelingsvorm,
alsmede de nog altijd hoge incidenties van leukemie en kanker bij
kinderen, vormen op zichzelf evenzovele bewijzen dat er in het rijk van
koning Vaccin nog lang geen sprake is van een kerngezonde toestand
[…]


[..] Vaccins zijn uiterst giftige stoffen, bestaande uit bacteriële of
virale bestanddelen in een oplossing […] De bacteriële en virale
inhoud van vaccins vertegenwoordigt de voornaamste antigene component.
De bacteriën en virussen die geacht worden het organisme aan te zetten
tot het ontwikkelen van immuniteit tegen een bepaalde ziekte, kunnen
levend, dood of verzwakt zijn (dat laatste in de regel door ze met
formaldehyde te behandelen).


Gedode micro-organismen bevatten echter nog steeds lichaamsvreemde
nucleïnezuren (DNA en RNA), zodat zelfs gedode micro-organismen nog een
schadelijke uitwerking op de ontvanger hebben. Aangetoond is dat
verzwakte bacteriën en virussen via passage door het menselijk lichaam
weer virulent kunnen worden.


Dat er bekende lichaamsvreemde stoffen in de bloedstroom worden
gebracht, is al erg genoeg, maar vaccins vertegenwoordigen nog een
ander ernstig gevaar: ze zijn vaak verontreinigd met tientallen of
honderden onbekende dierlijke of menselijke bacteriën en virussen, die
onvermijdelijk aanwezig zijn in dierlijke of menselijke weefsels die
gebruikt worden voor de kweek van de in vaccins gebruikte
micro-organismen […]


[…] Er is uitvoerig onderzoek gedaan naar de verontreiniging van
poliovaccins (Salk, Sabin) met dierlijke virussen die leven in de
apennieren welke worden gebruikt om deze vaccins te maken, en de
resultaten van die onderzoeken zijn gepubliceerd. Het leeuwendeel van
dit onderzoek werd al in de jaren vijftig en zestig verricht.


De belangrijkste van deze verontreinigde dierlijke virussen zijn een
groep van circa 40 simiae-retrovirussen. Hiervan is SV40 grondig
onderzocht en carcinogeen bevonden: SV40 veroorzaakt kanker bij
hamsters, muizen, andere dieren (zoals kleine wilde knaagdieren), en de
mens. De enorme toename van de incidentie van leukemie en kanker bij
jonge kinderen sinds de introductie en het massale gebruik van vaccins
is eveneens uitvoerig in de medische literatuur gedocumenteerd. Daarbij
komt nog dat antigene overprikkeling door de lichaamsvreemde antigenen
in vaccins eveneens tot kanker kan leiden, zoals uitvoerig is
aangetoond via onderzoek bij proefdieren en mensen.


De aanwezigheid van dierlijke retrovirussen in vaccins was al spoedig
na het begin van de massale vaccinaties tegen polio bekend. De reden
die de Amerikaanse Food en Drugs Administration opgaf voor het
achterwege laten van drastisch ingrijpen was dat er geen gepubliceerde
onderzoeksverslagen waren over de schadelijke uitwerking van deze
virussen op mensen. Toen echter deze schadelijke (oncogene =
kankerverwekkende) effecten van deze virussen bekend werden, bleef men
deze vaccins injecteren, ondanks het feit dat ze deze schadelijke
virussen bevatten. De behandeling met formaldehyde bleek in hoge mate
ineffectief te zijn: zelfs als deze micro-organismen 14 dagen lang zijn
blootgesteld aan formaldehyde, waarbij het grootste deel wordt gedood,
neemt het effect ervan geleidelijk af, zodat sommige virussen intact
blijven […]


[…] Girardi et al. (1973) bevestigden dat het oncogenetische effect
van SV40 vooral tot uiting kwam bij kinderen. Innis (1965) schreef een
brief aan de hoofdredacteur van The Lancet, waarin voorkwam: […]
Bekend is dat antigene irritatie tot hyperplasie (versterkte
vermeerdering) van de reticulo-endotheliale cellen in de lymfeklieren
van zoogdieren leidt en dat deze hyperplasie bij sommige muizenstammen
tot kwaadaardige neoplasie leidt; daarom leek het de moeite waard om
een onderzoek in te stellen naar een overeenkomstig mechanisme dat
werkzaam zou kunnen zijn bij kinderen die herhaaldelijk zijn
blootgesteld aan antigene irritaties die inherent zijn aan immunisatie.
Het verschil tussen de immunisatiestatus van leukemiepatiënten en die
van kinderen zonder leukemie kan daarom als significant worden
beschouwd.[…] en de logische conclusie is dat menselijke
fymforeticulaire weefsels net als dergelijke weefsels bij sommige
muizenstammen wellicht door antigene irritaties worden aan gezet tot of
geconditioneerd voor neoplasie (gezwelvorming) […]

In een repliek op de door Lancaster en Clements (1965) uitgeoefende kritiek
op zijn conclusie verklaarde Innis:


[…] Retrospectieve onderzoeken zijn niet de ideale methode om
antecedente gebeurtenissen te determineren, maar indien mijn onderzoek
werkelijk zonder betekenis was, zou het niet moeilijk moeten zijn om
aan te tonen dat er géén verband is tussen antigene irritatie
(inclusief immunisatie) en leukemie […]

En in een volgende ingezonden brief aan The Lancet vervolgt Innis:


[…] Als de premissen waarop deducties zijn gebaseerd op de proef zijn
gesteld en statistisch significant blijken te zijn, zoals het geval is
met deze deducties, volgt daaruit dat iedere geldige conclusie uit deze
premissen onvermijdelijk de ware feiten weerspiegelt. Ergo:



antigenen zijn – met inbegrip van die welke voor immunisaties
worden benut – leukogeen en carcinogeen bij individuen met het
vereiste aantal geërfde en/of verworven mutante genen in een
generatief-somatische cel […]


Leukemie/kanker-incidentie bij kinderen is gerelateerd aan
vaccinatie-ronden

Opmerkelijk is dat de incidentie van leukemie en andere vormen van kanker
bij kinderen pieken vertoont bij zeer jonge kinderen, die net de eerste
serie vaccinaties achter de rug hebben, en rond de leeftijd van vijf tot
negen jaar, als de herhalingsvaccinaties toegediend zijn. Dit lijkt toch te
duiden op een causaal verband.


[…] In 1962 identificeerden Eddy et al. een oncogene substantie in
niercellen van resusaapjes als het simiaevirus 40. Zowel Eddy et al.
(1962) als Girardi et al. (1961) bevestigden dat SV40 tumoren
veroorzaakt bij hamsters die in de neonatale periode zijn geïnoculeerd
met vacuoliserend SV40. Rabson et al. toonden aan dat de oncogene aard
van SV40 niet beperkt bleef tot hamsters. Fraumeni et al. (1963)
brachten verslag uit over de oncogene aard van SV40 bij mensen als het
virus met injecties van geïnactiveerd Salk-vaccin in het lichaam werd
geïntroduceerd. Zij citeerden diverse onderzoekers die duidelijke
veranderingen hadden geconstateerd in menselijke celkweken na
besmetting met SV40 […] Eddy et al. toonden de vermenigvuldiging van
SV40 aan in continue lijnkweken van menselijke kankercellen

Melnick (1962) bedacht de term ‘papova’-virussen voor een categorie
SV40-virussen (pa voor papilloma, po voor polyoma en va voor vacuoliserend
[…] Tot de overige overeenkomsten behoren een trage groeicyclus met
vermenigvuldiging in de celkern, het vermogen tot het veroorzaken van
chronische en latente infecties in de gastheer, en het vermogen tot het
doen ontstaan van tumoren (oncogenese) in hun natuurlijke gastheer en
andere gastheerorganismen […]


[…] Hoewel de auteurs deze bevindingen bagatelliseerden, citeerden
zij niettemin Innis (1968), die had vastgesteld dat in de periode
1955-1959 de mortaliteit van leukemie onder kinderen van 5 tot 9 jaar
steeg van 3,5 tot 3,8 op de 100.000, en onder kinderen van 10 tot 14
jaar van 2,2 tot 2,5 op de 100.000 […]

(In deze periode vonden er vaccinaties plaats met het Salk-vaccin dat
waarschijnlijk levend simiaevirus 40 bevatte.)


[…] De leukemiemortualiteit in staten waar met SV40 verontreinigd
vaccin was gebruikt, was over de hele linie hoger dan in de staten waar
het vaccin vrij was van SV40. Hun grafiek 2 toont niettemin een
aanzienlijke toename in de mortualiteit van andere kankervormen dan
leukemie bij kinderen beneden de 12 maanden en in de leeftijd van 5 tot
9 jaar, alsmede een toename van de leukemiemortualiteit bij kinderen
beneden de 12 maanden, in de leeftijd van 5 tot 9 jaar en in de
leeftijdsgroep van 1 tot 14 jaar […]

In het blad N & T wetenschapsmagazine van februari 2000 las ik
onder meer het volgende:


[…] Endogene retrovirussen zitten reeds ingebouwd in het DNA van het
varken, en wel met vele kopieën tegelijkertijd. In het varken leiden ze
een slapend bestaan, maar niemand weet of ze in een andere (lees:
menselijke) omgeving niet plots wakker worden. Bij dieren is dit al
gebeurd:

in Zuid-Oost Azië leidde een endogeen retrovirus een onschuldig
bestaan in buideldieren. Op nog onverklaarde wijze bleek het in
gibbons terecht te zijn gekomen, en veroorzaakte daar prompt
leukemie […]

Of dierlijke retro-virussen zich bevinden in een varken, een buideldier of
een aap, het gevaar voor het stimuleren van leukemie/kanker bij hogere
primaten lijkt onomstotelijk vast te staan.

In The Atlantic on line stond in februari 2000 het artikel The virus and the Vaccine, door Debbie Bookchin en Jim Schumacher,
dat handelt over de ontdekking van SV40 als oorzaak van vele soorten
kanker. Ik laat hier een stukje uit dat artikel volgen:


[…] Since 1994 Carbone has written more than twenty studies and reviews
investigating SV40’s link to human cancer.


“There is no doubt that SV40 is a human carcinogen,” he says. “SV40 is
definitely something you don’t want in your body.” Carbone suggests
that the virus works in tandem with asbestos or by itself to transform
healthy mesothelial cells into cancerous ones.


Since he published his first study, scientists at seventeen major
laboratories — in the United States, Great Britain, France, Belgium,
Italy, and New Zealand — have confirmed Carbone’s research with
respect to the presence of SV40 in human mesothelioma. Their results
point to a solution to an enigma that long puzzled researchers. At
least 20 percent of mesothelioma victims report no asbestos exposure,
and only 10 percent of people who have had heavy exposure to asbestos
ever develop mesothelioma. The experiments suggest that SV40 may be
another factor at work in the tumors.


Two very recent studies, from Finland and Turkey, found no SV40 in
domestic mesothelioma samples but did find it, respectively, in
American and Italian samples. The authors observe that their negative
findings lend support to the theory that contaminated polio vaccine is
associated with the disease: neither Turkey nor Finland used
SV40-contaminated vaccines. Today Finland has one of the lowest rates
of mesothelioma in the Western world.


The virus has also been located in other kinds of tumors. More than a
dozen laboratories have found SV40 in various kinds of rare brain and
bone tumors. In 1996 Carbone reported that he had found SV40 in a third
of the osteosarcomas (bone cancers of a type that afflicts about 900
Americans a year) and nearly half of the other bone tumors he tested —
research that has since been confirmed by numerous laboratories. The
virus has also been detected in pituitary and thyroid tumors.


The possibility of a link between SV40 and brain tumors is particularly
intriguing. Like mesothelioma, brain tumors have become dramatically
more common in recent years. Brain tumors will be diagnosed in about
3,000 children in the United States alone this year. In 1995 Janet
Butel, the chairman of the department of molecular virology and
microbiology at the Baylor College of Medicine, in Texas, and her chief
collaborator, John Lednicky, also a Baylor virologist, reported that
they had found SV40 in a number of children’s brain tumors. Butel and
Lednicky reported that DNA sequencing revealed that the virus was not a
hybrid but rather authentic SV40 — the same as the SV40 found in
monkeys. In the fall of 1996 an Italian research team, led by Mauro
Tognon, of the University of Ferrara, announced that it had found SV40
DNA in a large percentage of brain and neurological tumors, including
glioblastomas, astrocytomas, ependymomas, and papillomas of the choroid
plexus. The researchers suggested that SV40 may be a “viral cofactor”
involved in the sharp rise in human brain tumors. Late last year an
extensive study undertaken in China reinforced those results. The study
examined sixty-five brain tumors, finding SV40 in each of the eight
ependymomas and two choroid-plexus papillomas, common brain tumors
among children. It also found the virus in 33 to 90 percent of five
other kinds of brain tumor examined. The authors, writing in the
November, 1999, issue of Cancer, noted that the virus was actively
expressing proteins.


Recent research also indicates that SV40 has gained a secure foothold
in the human species. In 1996 Tognon and his collaborators reported
that they had also found the virus in 45 percent of the sperm samples
and 23 percent of the blood samples they tested from healthy people,
suggesting that the monkey virus could spread through sexual contact or
unscreened blood products. In 1998 the presence of SV40 antibodies in
human blood samples was reported by Butel, who tested several hundred
American blood samples and found antibodies to SV40 in about 10 percent
of them. Butel’s laboratory also tested samples from children born from
1980 to 1995 — decades after the contaminated vaccine was removed from
the market. A surprising six percent tested positive — offering
evidence that the virus may now be spreading from person to person,
including from mother to child […]

Misschien is het interessant om te beseffen dat ook één van de pandemische
griepvaccins tegen A/H1N1, Celvapan van Baxter, is gekweekt in Vero-cellen
van zoogdierlijke oorsprong, namelijk ook in nieren van groene apen. En dat
kan dus ook gevaar opleveren voor een besmetting met SV40, want het is niet
uitgesloten dat ook in deze gebruikte nieren van groene apen een besmetting
met SV40 aanwezig is geweest. Zie het patent (US 2009/0060950 A1).

Juist omdat met Celvapan ook zwangeren worden gevaccineerd, is het niet
uitgesloten dat op deze manier een SV40 besmetting ook meteen van moeder op
kind overgaat.

Niet alleen een besmetting met SV40 is gevaarlijk, maar ook de Vero-cellen
zelf

Vero-cellen zijn lijnkweken van cellen die worden gebruikt in celkweken. De
Vero-lijn werd op 27-3-1962 voor het eerst in Japan geïsoleerd uit de
epitheelcellen van de nieren van groene apen (Cercopithecus aethiops).
Vero-cellen worden gebruikt bij tests op toxische stoffen, als host-cellen
voor de vermenigvuldiging van virussen en als gastheercellen voor
eukaryotische parasieten zoals de Trypanosomatiden .

Die Vero-cellijn is voortdurend – dus eindeloos voortgroeiend/delend – en
aneuploïde. Dat wil dus zeggen dat deze cellijn zich vele malen kan delen
zonder te verouderen. Een aneuploïde cel heeft als karakteristiek dat hij
een abnormaal aantal chromosomen bevat.

Deze kenmerken houden op twee manieren het risico op kanker in.

· Als deze cellijn eindeloos kan delen zonder te verouderen, dan betekent
dit dat de telomeren van de chromosomen van het genoom steeds op dezelfde
lengte worden gehouden door het enzym telomerase. (Normaliter worden de
telomeren – uiteinden van de chromosomen – bij iedere celdeling iets
korter, zodat een normale menselijke cel zich zelf slechts zo’n 50 maal kan
delen, waarna de cel afsterft.) Bij de in kankercellen veranderde cellen
worden de telomeren ook steeds bij iedere celdeling op dezelfde lengte
gehouden. In feite functioneren deze Vero-cellen dus eigenlijk als
kankercellen.

· Cellen met abnormale aantallen chromosomen vertonen ook
functieafwijkingen. In bepaalde gevallen kan dit ook leiden tot een
ontremde celdeling, waarbij ook de telomeren op lengte worden gehouden en
er dus eigenlijk kankercellen ontstaan.

Dat de in vaccins gebruikte cellen van groene apen (de Vero-cellen)
oncogeen zijn hoeft dus niet alleen veroorzaakt te worden doordat er een
besmetting met SV40 aanwezig is, maar kan ook worden veroorzaakt door het
feit dat die Vero-cellen zelf eigenlijk kankercellen zijn.

Bij vaccinaties met vaccins waarin Vero-cellen aanwezig zijn, spuit men dus
eigenlijk kankercellen in!

Na het rumoer rond deze mogelijk met SV40 besmette poliovaccins werd het
weer jaren stil.

Voor geïnteresseerden is het verhaal over de met SV40 besmette vaccins na
te lezen op onderstaande link.

https://www.theatlantic.com/magazine/archive/2000/02/the-virus-and-the-vaccine/377999/



De gevaren van het voor de antigenen gebruikte kweekmedium

Om de voor vaccins te gebruiken antigenen te kunnen vermenigvuldigen maakt
men gebruik van een zogeheten kweekmedium. Dit zijn vaak cellen van
dierlijke of menselijke oorsprong. Waar men vroeger steeds nieuwe
proefdieren nodig had om voor kweekmediums te zorgen, wordt nu een bepaalde
cellijn in stand gehouden en kan men nu celculturen steeds weer gebruiken.
Bekend is in dit verband de cellijn die werd ontwikkeld van de kankercellen
van een zekere Henriëta Lacks. Die cellijn staat bekend als de
HeLa-cellijn. Deze cellen worden wereldwijd gebruikt in het
kankeronderzoek.

Om te zorgen voor de snelle vermenigvuldiging van vaccin-antigenen worden
verschillende kweekmediums gebruikt, zoals:

1. VERO, dat afstamt van nier-epitheelweefsel van de Afrikaanse groene aap
(1962.

2. WI-38, gemaakt uit het longweefsel van een drie maanden oud vrouwelijk
menselijk embryo (1961).

3. MCR-5, dat gemaakt werd uit het longweefsel van een 14 weken oude
mannelijke menselijke foetus (1966).

4. Gistcellen van het type Saccharomyces cerevisiae (bier-, wijn of
broodgist).

5. Kippen-embryocellen, in de vorm van delen van bebroede kippeneieren.

Cellijnen van de apen en de menselijke embryo’s en foetussen zijn
zelfreproducerend gemaakt en zijn dus eigenlijk – net als de HeLa-cellen –
te zien als kankercellen. Gist is van nature al zelfreproducerend.
Embryocellen van een kip groeien van nature al snel.

Deze kweekbodems bevatten dus ook het DNA van die Afrikaanse groene apen,
menselijke embryo’s en foetussen, gist en kippen. En hoewel men probeert om
de verkregen antigenen zo goed mogelijk te zuiveren, blijft er altijd een
residu achter in de vaccins die worden ingespoten in de bloedbaan, waardoor
dit ‘vreemde’ DNA zonder tussenkomst van het spijsverteringskanaal in het
lichaam terecht komt.

Oraal binnengekomen vreemd DNA wordt normaliter in het spijsverteringkanaal
verteerd, maar het direct ingespoten DNA komt via de bloedbaan in de
lichaamscellen en gaat daar een interactie aan met het menselijke DNA van
de ontvangers van de vaccins.

Een paar voorbeelden van met menselijke embryonale cellen geproduceerde
antigenen zijn de rubellacomponent (rode hond) van het BMR-vaccin en het
vaccin tegen waterpokken.

Diverse onderzoekers hebben al waargenomen dat er in celkweken tussen
ingespoten virussen en bacteriën genetische uitwisseling plaatsvond met
ontvangende organismen, waaronder ook met cellen van de mens.

In één onderzoek werd een virus 24 maal achter elkaar in celkweken
ingebracht. De onderzoekers ontdekten dat er met regelmaat genetische
informatie werd ingevoegd (insertie) of verwijderd (deletie) uit dat virus.
Dat lijkt er op te wijzen dat er tussen het ingebrachte virus en de
weefsels waarop het wordt gekweekt (de kweekmediums) een uitwisseling van
genetische informatie plaatsvindt.

In een ander onderzoek vond men een uitwisseling/vermenging van menselijke
cellen met bacterieel DNA.

Het is dus niet ondenkbaar dat vaccins – behalve een oncogene – ook nog een
hybridiserende uitwerking hebben op de kinderen die worden blootgesteld aan
de intensieve vaccinatieprogramma’s.

De kweekmediums voor de antigenen in de vaccins bestaan uit cellen die zich
snel kunnen delen, net zoals kankercellen dat ongeremd kunnen doen. Bij
deze cellen staat nog zo goed als geen rem op de celdeling. Bij deze cellen
is het celdelingsgen nog prominent actief en dat gen luistert naar
morfogenetische informatie met een hele hoge amplitude, met dus een
oersterke impact op cellen van organismen die zich later in de evolutie
ontwikkelden. De kans is dus aanwezig dat menselijke cellen zich beginnen
te conformeren naar die oeroude celdelingsinformatie. En dat kan dan kanker
in de hand werken.

Omdat het onmogelijk is gebleken om de vaccins volledig te zuiveren van de
restanten van de kweekbodems, zullen er met deze vaccins ook stukjes vreemd
DNA in de menselijke bloedsomloop worden gespoten, waarbij ze meestal een
zodanig sterke invloed uitoefenen op het menselijk DNA, dat dit (kleinere
of grotere) veranderingen kan ondergaan, waardoor functies kunnen uitvallen
en/of de celdeling op hol kan worden gejaagd (hetgeen dan tot kanker kan
leiden).

Niet alleen de ingespoten mensen kunnen last krijgen van hybridisatie, maar
behalve de gewone cellen van de mens kunnen ook zijn kiembaancellen onder
deze mutaties gaan leiden. Want het DNA in die kiembaancellen resoneert –
net als alle levende cellen – ook voortdurend met de morfogenetische
veldinformatie van de soort.


Dat betekent dus dat alle functieveranderingen die in de ingespoten
mens zijn gaan optreden ook worden doorgegeven aan het nageslacht. En
omdat men probeert om wereldwijd alle jongetjes en alle meisjes zo vaak
mogelijk te vaccineren, zal het niet lang duren voordat de hele
menselijke populatie door genetische drift is verworden tot een
verzwakte populatie van hybriden waarin het aantal disfuncties per
individu nog toeneemt door kruisbestuiving.

En als we kijken naar de toename van kinderkanker en allerlei
onverklaarbare nieuwe aandoeningen, dan lijkt het erop dat we al aardig op
weg zijn naar die aftakeling van de mensheid.

Het rode hond-vaccin, groeifactor en jeugdkanker

Het rode hond-bestanddeel (rubella) van de BMR-prik is geproduceerd in een
kweekbodem van WI-38 humane diploïde longfibroblasten. En omdat
er tijdens de filtratie van de virussen uit de kweekbodem niet alle resten
kweekbodem kunnen worden uitgefiltreerd, bevat de voor de vaccins bedoelde
virusmassa ook resten kweekbodem, in de vorm van groeifactor uit die
longfibroblasten. En dat levert een extra risico op voor het ontwikkelen
van kanker, bij met name kinderen bij wie de celdeling toch al relatief
snel is.


De reden waarom men juist die al 50 jaar oude cellijn met humane
diploïde longfibroblasten gebruikt is dat deze snel delende cellen
‘groeifactor’ bevatten.

Na uitname van die longfibroblasten uit het in 1962 om therapeutische
redenen geaborteerde embryootje begonnen deze vanzelf te groeien en te
vermeerderen en dat doen ze na 50 jaar nog steeds. Dat kweekmedium kan keer
op keer – na filtering – weer worden gebruikt en bovendien ontstaat er door
de spontane vermeerdering ook steeds weer meer van.

Dat die kweekbodem met de WI-38-cellen groeifactor bevat staat te lezen op
bladzijde 6 van een master-thesis van de universiteit van Gent (

Nieuw intestinaal mucosamodel voor de studie van enterische virusen

), waaruit ik even iets citeer:



[…] Een andere stof die een invloed blijkt te hebben op de
proliferatie en differentiatie van de darmwand is keratinocyt groei
factor (KGF). KGF werd eerst geïsoleerd uit longfibroblasten
en had een stimulerend effect op de keratinocyten van de epidermis.
KGF blijkt echter ook de diepte van de intestinale crypten en het aantal slijmbekercellen te doen toenemen bij ratten
(Housley et al., 1994) […]

Er worden als kweekmedium dus longfibroblasten gebruikt omdat die
groeifactoren bevatten en dat hebben die virussen nou net nodig om zich
stevig te kunnen vermeerderen.

Maar omdat men dat vaccin met daarin resten van die groeifactor inspuit bij
kinderen, krijgen ook de cellen van die kinderen de neiging om zich sneller
te gaan delen. Er komt dus een grotere druk op de celdeling te staan,
waardoor de kans op een ongeremde celvermeerdering toeneemt. En dat is
zeker het geval als er bij de normale celdelingen ten behoeve van de groei
iets mis gaat met de replicatie van het DNA, waardoor de normale remming op
de celdeling verzwakt of wegvalt.

Normaliter ruimt het immuunsysteem cellen met foutjes in het DNA wel op,
maar door de vaccinaties met groeifactor zien we twee risicofactoren voor
kanker ontstaan:

  • Door vaccinaties raakt het immuunsysteem tijdelijk verzwakt (door de
    daling van de zinkspiegel, waardoor ook minder melatonine wordt
    aangemaakt dat nodig is om immuunsysteem te activeren). Hierdoor worden
    minder malafide geraakte cellen opgeruimd.
  • Het ingespoten groeifactor werkt de ongebreidelde deling van de
    ontremde lichaamscellen nog extra in de hand, waardoor de kans dat het
    immuunsysteem de ontspoorde cellen nog tijdig kan uitschakelen veel
    kleiner wordt.

Gemuteerde ziekteverwekkers in zinloze vaccins

Niet alleen is er interactie tussen het DNA van de vaccinontvanger en het
DNA van de restanten van kweekbodems, maar ook de te vermenigvuldigen
virussen en bacteriën kunnen een interactie aangaan met hun kweekbodems. En
dat kan dan weer twee soorten gevolgen hebben:

  • De kweekbodems veranderen genetisch en daardoor komen er resten
    kweekbodem in de bloedbaan die anders functioneren dan de
    oorspronkelijk kweekbodem, hetgeen dan weer leidt tot nog
    onvoorspelbaardere interacties met humaan DNA.
  • De te kweken virussen en bacteriën veranderen genetisch. Hierdoor kan
    het gebeuren dat mensen worden gevaccineerd met ziekteverwekkers die
    afwijkend zijn van de ziekteverwekkers waartegen men denkt te
    vaccineren.

Het zal duidelijk zijn dat als men vaccineert tegen een bepaalde
ziekteverwekker en die ziekteverwekker is tijdens zijn kweek gemuteerd
geraakt, het lichaam wel antilichaampjes zal aanmaken tegen die mutant,
maar later bij een echte infectie met het ‘wild type’ van die
ziekteverwekker deze natuurlijke ziekteverwekker helemaal niet als zodanig
herkent. Er is dan ook geen sprake van immuniteit tegen de gewoon in het
wild voorkomende ziekteverwekker.

Zulke vaccinaties met gemuteerde ziekteverwekkers zijn volkomen zinloos en
leiden slechts tot de kans op nare bijwerkingen door de gebruikte adjuvans
en andere hulpstoffen.

Inmiddels is algemeen bekend dat de vaccins tegen de bof en de mazelen niet
echt effectief zijn. Sinds enkele jaren heersen er in Europa stille
uitbraken van de mazelen en de bof, ook onder volledig gevaccineerden. De
meeste zieken zijn zelfs volledig gevaccineerd.

De bof- en mazelenvirussen worden gekweekt op kippen-embryocellen. Bekend
is dat embryocellen zich erg snel delen. Dit komt omdat in embryo’s de
celdelingsgenen worden aangestuurd volgens de oeroude blauwdruk van de
allereerste eencelligen. Dus met zeer grote amplitude. Later kwamen daar
ook genen bij die de ongebreidelde celdeling per nieuwe soort gradueel
remden. Genen die al de hele evolutie door functioneren – zoals het
celdelingsgen en de remming daarop – worden aangestuurd door velden die
ondertussen zeer sterk zijn geworden en daarom met hoge amplitude worden
geresoneerd. De celdelingsgenen hebben sterkere velden dan de remmingen op
de celdeling.

Kippenembryo’s (vogels) waren er al voordat de mens ontstond en daarom
zullen die evolutionair oudere kippenembryo’s resoneren met nog oudere en
sterkere velden voor de celdelingscyclus dan die van menselijke embryo’s.

Het is niet ondenkbeeldig dat die sterke velden die de embryonale
kippencellen aansturen leiden tot het muteren van de oorspronkelijke bof-
en mazelenvirussen. En in dat geval kan het gebeuren dat het BMR-vaccin
gemuteerde bof- en mazelenvirussen bevat die zodanig afwijken van de wilde
bof- en mazelenvirussen dat ze bij een echte natuurlijke infectie niet
worden herkend als de bof- en mazelenvirussen waarmee is gevaccineerd.

(Afgezien hiervan leven ook de antilichamen tegen bof- en mazelen niet erg
lang, zodat na korte tijd de immuniteit tegen de gemuteerde virussen ook
ophoudt.)

Niet-effectieve griepprikken

In de herfst van 2011 berichtte het Geneesmiddelenbulletin over
een meta-analyse waaruit blijkt dat de seizoensgriepprik niet effectief is.
Eigenlijk was dat al bekend sinds een onderzoek in de jaren 70 van de
vorige eeuw.

Inmiddels geeft het RIVM toe dat het effect van de griepprik slechts een
half jaar duurt. Maar uit de publicatie van het Geneesmiddelenbulletin blijkt dat die seizoensgriepprik ook binnen
dat half jaar niet effectief is. Ook niet als er wel sprake is van een
overeenkomst tussen de vaccincocktail en de heersende griepstammen.

De diverse vaccins – Influvac, Fluarix, Inflexal, Vaxigrip, Influval,
Pandemrix en Focetria – worden alle gekweekt op een kweekmedium van
bevruchte kippeneieren (ofwel embryonale kippencellen).

Ik vraag me af in hoeverre er bij die griepvaccins sprake is van mutaties
van de specifieke griepvirussen die in de vaccins zitten, zodanig dat die
heersende griepvirussen niet meer worden herkend als die waartegen is
gevaccineerd…

In dat geval krijgen alle ouderen en mensen met een medisch risico
tevergeefs een vaccinatie, die dan ook nog eens voor een maand het
immuunsysteem ernstig verzwakt. Iets dat ouderen en chronisch zieken nou
net niet moeten hebben omdat ze dan veel vatbaarder worden voor alle
mogelijke infecties die vooral in de winter op de loer liggen.

Evidentie voor het bovenstaande

Op 8-11-2017 ontving ik een nieuwsbrief van Jon Rappoport waaruit ik enkele
fragmenten zal citeren:



[…] A new study, published in the PLOS Journal on 10/23, by
contributing authors from the Scripps Institute and the University
of Pennsylvania, is titled: “A structural explanation fort he low
effectiveness of the seasonal influenza H3N2 vaccine.”



Here is a key quote from the study: “It is common to use chicken
eggs for culturing clinical isolates and for large-scale production
of vaccines. However, influenza virus often mutates to adapt to
being grown in chicken eggs, which can influence antigenicity and
hence vaccine effectiveness.”



Translation: The virus in the vaccine mutates, in the chicken eggs,
and therefore the patient’s immune system responds to t

he wrong version of the flu virus.



Here is another quote: “Our study describes a mechanism [that
explains] … the low influenza vaccine effectiveness and reaffirms
the urgency for replacing the egg-based production of influenza
vaccines.” […]

Uit een volgende nieuwsbrief van dezelfde auteur (13-12-2017) citeer ik
nog:



[…] Healthline.com: “The majority of flu vaccines are grown in
chicken eggs, a method of vaccine development that’s been used for
70 years.”



Seventy years. The same problem. The same “low
effectiveness”problem […]

De virussen voor de vaccins tegen de mazelen en de bof worden ook gekweekt
op kippen-embryocellen. Ik herinner me verschillende uitbraken van de
mazelen en de bof waarvoor de geleerde virologen en vaccinatiedeskundigen
van het RIVM absoluut geen verklaring hadden en nog steeds niet hebben.

Het was zelfs zo dat er bij zo’n uitbraak alleen maar kinderen ziek werden
die waren gevaccineerd, terwijl de enkele ongevaccineerden op diezelfde
kostschool fit bleven.

De verklaring hiervoor kan zijn dat de wel gevaccineerden – met op de
kweekbodem gemuteerde virussen – het gewone wilde mazelenvirus niet meer
konden herkennen en hun afweersysteem het dus liet afweten. Bovendien wordt
door vaccinatie ook het immuunsysteem verzwakt.

Samenvattend kunnen we concluderen dat vaccins die zijn gekweekt op
kweekbodems – van bevruchte eieren of foetale cellen – zeer ineffectief
zullen zijn omdat de virussen muteren richting de kweekbodems en omdat er
nare bijwerkingen kunnen ontstaan zoals bijvoorbeeld kinderkanker.

Kort gezegd:


Vaccins zijn niet alleen ineffectief, en dus zinloos, maar ook zeer
gevaarlijk vanwege de invloed van residuen van kweekbodems.


We moeten er dus voor waken dat deze vaccinaties niet ook nog verplicht
gaan worden!!!

Het gebruik van GP120 in vaccins kan leiden tot kanker


Immuunondermijnend GP120 in A(H1N1)-vaccins van GSK en Novartis

De eerder vermelde bijwerkingen de varkensgriepvaccins vonden plaats in de
westerse wereld, maar ook elders werd er gevaccineerd tegen A(H1N1). In de
zomer van 2014 werd me een artikel aangereikt met de titel


Pandemic influenza A(H1N1) vaccination among Libyan health care
personnel: A cross-sectional retrospective study


, door Nagiat Tayeb Hwisa en collega’s, in

Journal of Pharmacy and Bioallied Sciences. 2014 Jul-Sep; 6(3):
192-197.

In dat artikel las ik het volgende:


[…] The glycoprotein 120 and squalene were found responsible for
the reported adverse effects […]

En die opmerking bracht opeens weer de ophef in herinnering die was
ontstaan ten tijde van de lancering van Pandemrix en Focetria. Er werd toen
opeens veel geschreven over een nieuw en geheimzinnig bestanddeel van de
pandemische A(H1N1)-vaccins Pandemrix en Focetria, dat na korte tijd al
weer was verdwenen uit de opsomming van de inhoudsstoffen. Het ging om een
glycoprotein dat genoemd werd als GP120 en dat zou kunnen dienen om de
effectiviteit van vaccins te vergroten waar het ging om het vormen van veel
antilichamen bij gebruik van slechts kleine hoeveelheden virale antigenen.
Op die manier zou men in korte tijd met gebruikmaking van dit ‘nieuwe
adjuvant’ snel veel vaccins kunnen produceren. In het hierboven genoemde
artikel werd niet expliciet vermeld welke pandemische griepvaccins waren
gebruikt.

In de officiële bijsluiters van het Pandemrix-vaccin staat te lezen:

[…]

4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van
interactie:


Na vaccinatie tegen influenza zijn vals-positieve uitslagen waargenomen
bij serologische testen waarbij gebruik wordt gemaakt van de
ELISA-methode voor de detectie van antilichamen tegen humaan
immunodeficiëntievirus-1 (HIV-1), hepatitis C-virus en, met name,
HTLV-1. In deze gevallen is de uitslag van de Western Blot methode
negatief. Deze voorbijgaande vals-positieve resultaten zouden kunnen
liggen aan een IgM-kruisreactie door het vaccin […]

In de officiële bijsluiter van Focetria (van 12 augustus 2010, date of
first authorization/reneweal of the authorization) staat ongeveer hetzelfde
te lezen als in de productinformatie van Pandemrix:

[…]

4.5 Interaction with other medicinal products and other forms of
interactions:


Following influenza vaccination, false positive serology test results
may be obtained by the ELISA method for antibody to human
immunodeficiency virus-1 (HIV-1), hepatitis C virus and, especially,
HTLV-1. In such cases, the Wesyern Blot method is negative. These
transistory false positive results may be due to IgM production in
response to the vaccine […]

In de officiële bijsluiters staat dus geschreven dat mensen die met
Pandemrix of Focetria zijn gevaccineerd (tijdelijk) ‘positief’ kunnen
testen op HIV. Hoe zou dat mogelijk kunnen zijn???


Enig zoekwerk leerde me dat GP120 het (manose houdende) suikerbindende
mantel-eiwit (ofwel een glycoproteine) is dat een HIV infectie
veroorzaakt: het HIV-1 mantel-eiwit.

Glycoprotein 120 (afgekort GP120) is dus het HIV-1 mantel-eiwit dat tijdens
een ELISA-test wordt gedetecteerd. Dat mantel-eiwit GP120 moet dus in die
H1N1-vaccins hebben gezeten.

Ik zocht nog even verder naar informatie betreffende gp120 en vond een


Report (with recommendations) Approved at the February 2008 NVAC
Meeting 02/06/08


en las halverwege in

Table 3: Vaccine adjuvants that have been evaluated in humans

het volgende:

[…] Emulsions:


MF59 (Microfluidized detergent stabilized squalene oil-in-water
emulsiom)

Benefits
:


*Increased flu vaccine immunogenicity in young adults and in elderly as
evaluated with HAI titers; broadens response against heterovariant
strains.


*Improved immunogenicity over Alum when tested with HBV vaccine, HSV, HIV1 gp120, and CMV gB.


*IM injection in combination with a variety of subunit antigens results
in elevated antibody response, increased T-cell proliferation and
induction of cytotoxic lymphocytes.

Comments
:


*Induces chemokines to increase recruitment of immune cells, enhances
ag uptake by monocytes and differentiation to DC’s.


*MF59 is a component of Fluad®, a licensed subunit influenza vaccin in
Europe with >30 million doses distributed.


*Combination of MF59 with MTP-PE enhanced systemic reactogenecity
without improving immunogenicity in Ph1 flu vaccine study.

Safety/Immunogenicity
:

*Mild local reactions;


*Minor reactogenicity upon intramuscular injections of humans in
combination with various antigens […]

Uit dit document blijkt dus dat MF59 ook gp120 bevat en in 2008 – dus
voorafgaand aan de pandemische vaccinaties met Pandemrix en Focetria – al
met ruim 30 miljoen doses was gebruikt in Europa, in een vaccin tegen de
seizoensgriep (Fluad)…

In voorgaande hoofdstukken besprak ik de vele bijwerkingen van Pandemrix en
Focetria. En nu vraag ik me af of deze bijwerkingen ook iets te maken
kunnen hebben met dat gp120.

Op de website van een laboratorium voor bloedonderzoek (ELN-Bunnik) las ik
het volgende:


[…] Nagalase is the intrinsic component of the envelope protein gp120
of HIV-virions and the envelope protein hemagglutinin (HA) of influenza
virus.


Nagalase activity is the sum of enzyme activities carried by both HIV
virions and unassembled envelope proteins […]

In feite gaat het bij die bijwerkingen van gp120 hoogstwaarschijnlijk om
het effect van dat ‘Nagalase-enzym’.

Het menselijk immuunsysteem werkt bij de gratie van voldoende vitamine D,
waarvoor receptoren (VDR’s) zijn aangetroffen op T-helpercellen. Maar om
die vitamine D te binden op die receptoren is een bepaalde stof nodig en
die stof draagt de naam Gc-MAF (Vitamin D binding protein-derived
macrophage activating factor). Zonder een effectieve werking van Gc-MAF kan
vitamine D ook niet effectief zijn functie voor het immuunsysteem
vervullen. Gc-MAF is dus van onmisbaar belang voor een goede werking van
het immuunsysteem.

Helaas kan het gebeuren dat een bepaald enzym – Nagalase
(alpha-N-acetylgalactosaminidase enzyme) – de werking van Gc-MAF tegenwerkt
door het afbreken van de voorloperstof (GcProtein) van Gc-MAF.

Dit Nagalase-enzym wordt in het lichaam geproduceerd door kankercellen en
virussen, die op deze manier het immuunsysteem proberen te verzwakken ten
gunste van hun eigen bestaan.

De A(H1N1)-vaccins Pandemrix en Focetria bevatten dus ook dat Nagalase dat
het immuunsysteem verzwakt door het benadelen van Gc-MAF dat onmisbaar is
voor een goed functioneren van het immuunsysteem met behulp van vitamine D.
En omdat dit gegeven voor veel onrust zorgde, werd gp120 uit de bijsluiters
verwijderd. Geen wonder dat die beide vaccins voor zoveel bijwerkingen
zorgden, ook op de langere termijn.

Opmerkelijk: ten tijde van die zogenaamde ‘pandemie’ met varkensgriep
hoorde het publiek nooit over het belang van voldoende vitamine D om op die
manier het immuunsysteem sterker te maken.

Maar wel moest iedereen tweemaal worden ingespoten met Pandemrix of
Focetria die juist via gp120 (met daarin nagalase) het immuunsysteem
verzwakten. Want het zijn immers niet de vergankelijke antilichamen die de
mens vrijwaren van infecties, maar juist de eigen sterke afweer die de
infectueuze indringers buiten de deur moeten houden.

Ik zocht nog even verder en vond vervolgens diverse artikelen die
beschrijven hoe men al vanaf de late jaren ’90 van de vorige eeuw tot op
heden bezig is met experimenten met vaccins waaraan gp120 is toegevoegd met
het doel om de immuunreactie te versterken zoals hierboven al werd
weergegeven in het NVAC report uit 2008.

Helaas is de ontwikkeling van vaccins met daarin ‘gp120/nagalase’ niet
alleen een buitenlandse aangelegenheid, maar wordt er ook in eigen land –
aan het Erasmus MC in Rotterdam – gewerkt aan dit soort gevaarlijke
vaccins. Op het internet vond ik het document


Novel generation influenza vaccines, Adjuvants for increasing
pandemic vaccine supply


. Het document was bedoeld voor de


2nd WHO Consultation on a Global Action Plan for pandemic influenza
vaccines, Geneva 13th July 2011.

Dit document werd gepresenteerd door

Albert Osterhaus, head Department of Virology, CSO
Viroclinics-Biosciences BV (Erasmus MC).

Op de bladzijde met de titel


Adjuvants and antigen presentation systems for viral vaccines
tested in humans (2/2) (an arbritary selection)


kwam ik ook vaccins tegen met HIV1 (gp120).

Behalve dat ‘gp120/nagalase’ leidt tot meer antilichaampjes, wordt met deze
stof ook het immuunsysteem ondermijnd en zoals we weten leidt
immunodeficiëntie tot een groter risico op kanker en een ernstiger en vaak
chronisch verloop van ontstekingen. Dus kort gezegd: tot een ernstige
bedreiging van de volksgezondheid en aantasting van de hersenen. Dit kan
onder meer leiden tot chronische hersenontstekingen, autisme en dementie.
Kortom: tot een grotere ziektelast voor de bevolking. Maar gelukkig heeft
de farmacie – volgens mijn huisarts – overal een goed antwoord op. En dat
antwoord zou weleens gepaard kunnen gaan met een omzetvergroting voor de
farmaceutische industrie.

Op dinsdag 20 oktober 2009 kreeg de Rotterdamse viroloog prof. Ab Osterhaus
in Den Haag namens zes Nederlandse ministeries een overheidsprijs van één
miljoen euro, de Valorisatieprijs 2009. Deze NGI Valorisation Award is aan
de heer Osterhaus – lid van de onafhankelijke Gezondheidsraad die de
regering adviseert – toegekend vanwege zijn ‘uitmuntendheid in het sluiten
van contracten met de industrie’.

Recombinante technieken

Ik vroeg me af waar die relatief grote hoeveelheid benodigd gp120 vandaan
zou komen en realiseerde me toen opeens dat er waarschijnlijk sprake was
van een recombinante techniek.

Het menselijk lichaam bevat genen voor de aanmaak van gp120 en over de
productie van een recombinant-DNA-geneesmiddel valt te lezen:


[…] Een recombinant-DNA-geneesmiddel is in de regel een eiwit van
menselijke oorsprong. Dit eiwit is door bacteriën of gekweekte cellen
geproduceerd. Om dit mogelijk te maken bevatten deze bacteriën of
cellen een kopie van een menselijk gen in de vorm van recombinant DNA.
Dit gen bevat de code voor het menselijke eiwit […]

Al in 1990 werd er een artikel gepubliceerd dat verschillende recombinante
technieken om gp120 te produceren vergeleek. Als beste kwam toen uit de bus
‘baculovirus gp120’. Ik zocht verder en ontdekte dat het productiesysteem
met ‘baculovirus vectors in insectencellen’ nog steeds het meest wordt
gebruikt en dat een zuiverheid van 95% het hoogst haalbare is. De laatste
update van deze informatie was 23-7-2015. De gebruikte insectencellijn bij
gp120 is die van de ‘spodoptera frugiperda’.

In de productinformaties van Pandemrix en Focetria wordt nergens gerept
over een (deels) via recombinant-DNA-techniek tot stand gekomen adjuvant,
terwijl in herziene bijsluiters gp120 helemaal is weggelaten. Met die
pandemische varkensgriepvaccins is er dus – zonder dat dit bekend werd
gemaakt – bij alle gevaccineerden een genetisch gemanipuleerd
adjuvant/vaccin ingespoten geworden! Dit hele aspect van die vaccins is
zelfs opzettelijk verzwegen geworden en dat is zeer kwalijk te noemen
aangezien gentechnologie absoluut niet veilig is.



Former pro-GMO Scientist Speaks Out on the Real Dangers of
Genetically Engineered Food

Onder deze titel kreeg ik op 3-6-2013 een artikel van dr. Mercola waarin
hij een wetenschapper aan het woord laat die vroeger enthousiast werkte aan
genetische modificatie, dus aan GMO’s. Inmiddels heeft hij dat werk de rug
toegekeerd en waarschuwt hij dringend tegen deze technologie. Hieronder
laat ik deze Thierry Vrain – een voormalige wetenschapper van Agriculture
Canada – zelf aan het woord.

[…] Former Pro-GMO Scientist Cites GM Food Safety Concerns

Vrain cites the concerning fact that it is studies done by Monsanto and
other biotech companies that claim GM crops have no impact on the
environment and are safe to eat. But federal departments in charge of food
safety in the US and Canada have not conducted tests to affirm
this alleged “safety.”

Vrain writes:

1


“There are no long-term feeding studies performed in these countries
[US and Canada] to demonstrate the claims that engineered corn and soya
are safe. All we have are scientific studies out of Europe and Russia,
showing that rats fed engineered food die prematurely.


These studies show that proteins produced by engineered plants are
different than what they should be. Inserting a gene in a genome using
this technology can and does result in damaged proteins. The scientific
literature is full of studies showing that engineered corn and soya
contain toxic or allergenic proteins.


… I refute the claims of the biotechnology companies that their
engineered crops yield more, that they require less pesticide
applications, that they have no impact on the environment and of course
that they are safe to eat.”


“The Whole Paradigm of Genetic Engineering Technology is Based on a
Misunderstanding”

This misunderstanding is the “one gene, one protein” hypothesis from 70 years ago,
which stated that each gene codes for a single protein. However, the Human
Genome project completed in 2002 failed dramatically to identify one gene
for every one protein in the human body, forcing researchers to look to
epigenetic factors — namely, “factors beyond the control of the gene” – to
explain how organisms are formed, and how they work.

According to Vrain:


“Genetic engineering is 40 years old. It is based on the naive
understanding of the genome based on the One Gene – One Protein
hypothesis of 70 years ago, that each gene codes for a single protein.
The Human Genome project completed in 2002 showed that this hypothesis
is wrong.


The whole paradigm of the genetic engineering technology is based on a
misunderstanding. Every scientist now learns that any gene can give
more than one protein and that inserting a gene anywhere in a plant
eventually creates rogue proteins. Some of these proteins are obviously
allergenic or toxic.”

In other words, genetic engineering is based on an extremely oversimplified
model that suggests that by taking out or adding one or several genes, you
can create a particular effect or result. But this premise, which GMO expert

Dr. Philip Bereano

calls “the Lego model,” is not correct. You cannot simply take out a yellow
piece and put in a green piece and call the structure identical because
there are complex interactions that are still going to take place and be
altered, even if the initial structure still stands.

Serious Problems May Arise From Horizontal Gene Transfer

GE plants and animals are created using horizontal gene transfer (also
called horizontal inheritance), as contrasted with vertical gene transfer,
which is the mechanism in natural reproduction. Vertical gene transfer, or
vertical inheritance, is the transmission of genes from the parent
generation to offspring via sexual or asexual reproduction, i.e., breeding
a male and female from one species.

By contrast, horizontal gene transfer involves injecting a gene from one
species into a completely different species, which yields unexpected and
often unpredictable results. Proponents of GM crops assume they can apply
the principles of vertical inheritance to horizontal inheritance, but
according to

Dr. David Suzuki

, an award-winning geneticist, this assumption is flawed in just about
every possible way and is “just lousy science.”

Genes don’t function in a vacuum — they act in the context of the entire
genome. Whole sets of genes are turned on and off in order to arrive at a
particular organism, and the entire orchestration is an activated genome.
It’s a dangerous mistake to assume a gene’s traits are expressed properly,
regardless of where they’re inserted.

The safety of GM food is based only on a hypothesis, and this
hypothesis is already being proven wrong

[…]

Hoewel dat gp120-eiwit geen voedsel is, wordt het wel in het lichaam
ingespoten. Volgens Thierry Vrain is de beschrijving van de
recombinant-DNA-techniek dus ook te simpel weergegeven. En dat houdt in dat
het invoegen van een menselijk gen in het genoom van dat baculovirus ook
niet hoeft te leiden tot exact hetzelfde gp120-eiwit dat de mens zelf
produceert. Dat eiwit kan willekeurige afwijkingen hebben die in de mens
kunnen leiden tot verstoringen van diverse lichaamsfuncties.

Dat via gentechnologie tot stand gekomen gp120-manteleiwit kan ook
veranderingen teweeg brengen in het menselijk DNA (het is immers maar tot
maximaal 95% gezuiverd, zodat er nog vreemde DNA-resten in kunnen zitten).
En die veranderingen in het menselijk DNA kunnen dan vervolgens ook nog
weer worden doorgegeven aan het nageslacht, dus overerfbaar worden. En dit
mengsel spuit men dan in bij zwangeren en vierjarige kinderen!!!

Die pandemische griepvaccins kunnen dus de mensheid voorgoed verpesten en
zelfs uitroeien.

Nog even samengevat welke gevaren Pandemrix en Focetria kunnen vormen voor
de gezondheid van de hiermee gevaccineerden:

  • De gewone risico’s die voor alle vaccins gelden, zoals zinkgebrek door
    het aspecifieke stresssyndroom. Hierdoor verzwakt (meestal tijdelijk)
    het afweersysteem.
  • De toevoeging van MF59, waarvan ik de gevaren elders in deze studie al
    weergaf.
  • Het aan MF59 toegevoegde gp120, dat ook nagalase bevat. Het enzym
    nagalase breekt de voorloperstof van GcMAF af, waardoor deze vitamine D
    bindende factor zijn werk niet meer kan doen en dus vitamine D niet
    meer op de daarvoor bedoelde receptoren op de T-helpercellen kan
    binden. Hierdoor wordt het immuunsysteem ernstig verzwakt.
  • Voor de vaccins wordt recombinant gp120 gebruikt dat wordt geproduceerd
    met behulp van het Baculovirus dat wordt vermenigvuldigd in een cellijn
    van insecten. Hoe op die manier incorrecte gp120-eiwitten kunnen
    ontstaan blijkt uit het citaat van Thierry Vain, dat ik eerder weergaf.
  • Na productie van het recombinant gp120 wordt de ontstane massa
    gefiltreerd. Het meest zuivere resultaat is 95% gp120 plus 5%
    verontreinigingen die worden gevormd door resten DNA van het
    baculovirus plus resten DNA van de betreffende cellen uit de
    insectencellijn. Er komt dus ‘vreemd’ DNA mee met de injectie van het
    vaccin.
  • En die 5% vreemd DNA in het gp120-eiwit is in staat om het normaal
    aanwezige DNA van de vaccinontvanger te veranderen. Deze veranderingen
    kunnen leiden tot functieverstoringen van de vaccinontvanger die niet
    alleen van blijvende aard zijn, maar ook overerfbaar kunnen worden.
  • Als cel-DNA van de mens wordt veranderd onder invloed van vreemd DNA,
    dan vormt dat ook een kankerrisico voor zo’n cel. En omdat door die
    vaccins – via het intrinsiek aanwezige nagalase het immuunsysteem
    ernstig wordt verzwakt, wordt het risico op een zich uit zo’n maligne
    geworden cel ontwikkelende kanker aanmerkelijk groter.

In Duitsland wilde de overheidselite zichzelf plus het leger laten
vaccineren met vaccins die geen adjuvantia bevatten en daarom veiliger
lijken te zijn. De gevaarlijker, maar goedkopere adjuvans-bevattende
vaccins zijn daar bestemd voor het gewone volk. Heeft men in Duitsland soms
vooraf diepgaand onderzoek gedaan naar alle mogelijke gevaren van die
nieuwe pandemische griepvaccins?

Hoe dan ook, de bijwerkingen van die nieuwe pandemische griepvaccins bleken
kort na die hele prikactie al de pan uit te rijzen. Maar veel van de
hierboven weergegeven gevaren zullen zich pas op termijn beginnen te
openbaren en dan is er geen weg terug meer. Dan worden er nieuwe erfelijke
aandoeningen doorgegeven aan de volgende generatie.

In die hele ‘vreemde varkensgriep-soap’ is er maar één winnaar en dat is de
farmaceutische industrie, die van plan is om onverdroten voort te gaan op
het pad van de gentechnologie en dat dan – zoals reeds bleek uit de
herziene bijsluiters en productinformatie – met zo min mogelijk eerlijke
informatie naar het prikvee toe.

Op 19-9-2012 vond er een FDA Meeting plaats met als onderwerp: Human Tumors for Vaccine Manufacture (VRBPAC = The Vaccines and
related Biological products Advisory Committee). Men sprak er over het
gebruik van kankercellijnen om snel vaccins te kunnen produceren. Kernthema
was de vraag: ‘waar leggen we de risicogrens en wat vertellen we het
publiek wel of niet?’ Dat deze vaccins het risico op kanker in zich dragen
was al bekend.

De meeste vaccins bevatten momenteel elektroactieve stoffen, zoals kwik en
aluminiumzouten, MF59, Octoxynol10, Octoxynol 9 (ofwel Triton X-100), Span
85 en Carbapol.

Elektroactieve stoffen kunnen – mits in voldoende grote hoeveelheden
aanwezig – een zodanige ladingsverschuiving teweeg brengen in de moleculen
van eiwitten dat deze een veranderde vouwing – en dus ook veranderde
ruimtelijke structuur – krijgen. En daarmee verliezen deze moleculen
meestal de functie waarvoor ze oorspronkelijk bedoeld zijn. Hierbij kan het
gaan om de eiwitten in allerlei enzymen, hormonen en neurotransmitters,
maar ook om receptoren die bedoeld zijn voor die hormonen en
neurotransmitters, want receptoren zijn ook eiwitten. Ook kunnen eiwitten
vervormd raken die dienen om bijvoorbeeld vitamine D te binden op de VDR’s
(vitamine D-receptoren). Denk hierbij aan Gc-Protein en Gc-MAF.

Als Gc-Protein en/of Gc-MAF misvormd raken, dan kan vitamine D niet meer
gebonden raken aan zijn receptoren op de T-helpercellen en raakt de
immuunfunctie verstoord en verzwakt. Dat geeft dan hetzelfde effect als
Nagalase.

Vaccins die zowel electroactieve stoffen als gp120 bevatten zijn dus extra
nadelig voor het functioneren van het immuunsysteem.

· Focetria van Novartis bevat als adjuvans MF59C.1, dat het elektro-actieve
Span85 bevat.

· Pandemrix van GSK bevat per 0,5 ml dosis 5 microgram Thiomersal plus de
squaleen-houdende adjuvans AS03 die samen met het elektro-actieve Octoxynol
10 een soortgelijke uitwerking heeft.

  • Focetria en Pandemrix bevatten beide ook gp120.

Het zal duidelijk zijn dat deze beide varkensgriepvaccins daarom het
immuunsysteem ernstig verzwakt hebben en al meteen na de prik – maar ook
nog op de langere termijn – veel narigheid kunnen veroorzaken.

Formaldehyde

We zien steeds vaker formaldehyde gebruikt worden in vaccins.

Voor de hormoonverstorende effecten van formaldehyde is het niet nodig dat
er een zodanige concentratie aanwezig is dat er eerst irritaties van de
huid optreden. De uitwerking van formaldehyde is onmerkbaar en sluipend,
totdat op termijn ernstige hormonale stoornissen beginnen op te treden.
Hormoonverstorende eigenschappen kunnen indirect en op termijn ook
kankerverwekkend zijn. Samen met kwik vormt formaldehyde een niet te
onderschatten kankervariabele.

Werken met formaldehyde vergroot de kans op kanker

Op 26-11-2009 ontving ik een persbericht van het NKI-AVL dat aantoonde dat
blootstelling aan formaldehyde de kans op bepaalde vormen van kanker
vergroot.


[…] Formaldehyde wordt onder meer gebruikt bij het balsemen van lijken,
maar ook door pathologen en anatomen. In Nederland zijn de grenswaarden
om met formaldehyde te werken de laagste van Europa, in de Verenigde
Staten ligt dit anders. Daar hebben ongeveer twee miljoen mensen op hun
werkplek dagelijks met de stof te maken. Tot voor kort beschouwde de
Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) formaldehyde namelijk alleen als
veroorzaker van kanker van de nasopharynx, een zeer zeldzame vorm van
kanker in de neus.


De studie van Michael Hauptman van het NKI-AVL die vandaag gepubliceerd
wordt in de Journal of the National Cancer Institute, toont echter aan
dat er mogelijk een oorzakelijk verband is tussen blootstelling aan
formaldehyde en myeloïsche leukemie. Dit verband werd al vermoed, maar
deze studie levert aanvullende bewijzen […]

Aanvullend verscheen er nog een gerelateerd bericht in de krant dat ik ook
even citeer:


[…] Amerikaanse begrafenisondernemers die meer dan 3.000 lijken
balsemden met formaldehyde hebben bijna vier keer zo veel kans om aan
een bepaalde vorm van leukemie te overlijden dan lijkbezorgers die
minder dan 500 lichamen behandelden.


Daarmee is voor het eerst aangetoond dat langdurige blootstelling aan
formaldehyde in de werkomgeving naast neusholtekanker ook leukemie
veroorzaakt.


Dat vond Michael Haptmann, een epidemioloog die nu bij het Nederlands
kankerinstituut werkt. De publicatie van Hauptmann en zijn collega’s
verscheen eind vorige week in het Journal of the National Cancer
Institute. In Nederland is het balsemen van lijken alleen in
uitzonderlijke omstandigheden toegestaan. De Nederlandse normen voor
formaldehydeconcentraties op de werkplek horen tot de strengste ter
wereld […]

En hierbij moeten we wel bedenken dat bij deze begrafenisondernemers,
pathologen en anatomen die formaldehyde nog niet eens via inspuitingen in
hun lichaam terecht komt, zoals wel het geval is bij jonge kinderen die
gevaccineerd worden met vaccins waarin de ziekmakende antigenen eerst met
formaldehyde worden geïnactiveerd.

Zien we ook de laatste decennia ook niet een toename van de incidentie van
leukemie bij kinderen?

Onder ‘myeloïsche leukemie’ wordt ook verstaan het verwante ‘multiple
myeloom’, ook wel genoemd ‘de ziekte van Kahler’, ofwel ‘beenmergkanker’.
Dat is een kwaadaardige woekering van plasmacellen (witte bloedcellen) in
het beenmerg. Deze woekeringen van witte bloedcellen verhinderen de aanmaak
van rode bloedcellen en bloedplaatjes.

Rode bloedcellen zijn onmisbaar om zuurstof te vervoeren. Stagneert de
aanmaak van rode bloedcellen, dan kan er minder zuurstof worden vervoerd en
stagneert ook de mitochondriale verbranding (Krepscyclus) waardoor er
minder energie (in de vorm van ATP-moleculen) wordt geproduceerd. Het
gevolg hiervan is dan chronische vermoeidheid (ME ofwel CVS).

Formaldehyde kan dus direct en indirect leiden tot vermoeidheid door
verminderde ATP-productie. Formaldehyde houdende vaccins kunnen dus leiden
tot chronische vermoeidheid die kan worden veroorzaakt door te weinig rode
bloedcellen vanwege woekeringen van witte bloedcellen in het bloedplasma.
Het hangt af van het type witte bloedcellen die ontspoord zijn, welk
subtype leukemie ontstaat, lymfatische- of myeloïde leukemie.

Wikipedia zegt hierover ook:

[…] Het maligne lymfoom wordt, net als de verwante ziekten leukemie en
myeloom (ziekte van Kahler), gekenmerkt door het optreden van
translocaties tussen verschillende chromosomen. Als dit het DNA treft
dat oncogenen en tumorsuppressorgenen betreft kan de groeicyclus van de
cel verstoord reken, met een ontregelde groei tot gevolg. Translocaties
komen vaak voor in lymfocyten, temeer omdat ze zogenaamde
VDJ-genherschikkingen ondergaan als deel van hun rol in het
immuunsysteem. De exacte oorzaak van de translocaties in lymfoom is
meestal onduidelijk. Er is geen directe genetische overerving… […]

Normaliter ruimt een gezond werkend immuunsysteem maligne geworden cellen
op als zijnde lichaamsvreemd en dus ‘antigeen’. Maar… vaccinaties leiden
tot verzwakking van het immuunsysteem, dus dat maakt al gevoeliger voor de
ontwikkeling van diverse typen kanker.

En daar komt nog bij dat de meeste vaccins tegenwoordig elektroactieve
stoffen bevatten, zoals aluminiumzouten en kwik (in thimerosal) en de
modernere adjuvantia zoals MF59 enz.

Deze elektroactieve stoffen leidden – bij voldoende opstapeling – tot onder
meer elektroforese van celmembranen. Ook van de membranen van witte
bloedcellen, die hierdoor ‘lek’ raken. Hierdoor lekt zo’n cel niet alleen
naar buiten, maar kunnen ook (oncogene) stoffen makkelijker binnendringen
in die geperforeerde cellen. Op die manier kunnen er stoffen binnendringen
in die witte plasmacellen die ontregelend werken op het DNA, dat daardoor
kan ontsporen in die zin van ontregeling van de celdelingscyclus. Wat dan
weer woekering van deze cellen tot gevolg heeft.

Het zijn dus de elektroactieve adjuvantia in de vaccins die kunnen leiden
tot translocaties in het genoom van hiervoor toch al gevoelige lymfocyten.

Daarnaast kan formaldehyde ook leiden tot een tekort aan vitamine B12, dat
op zijn beurt weer kan leiden tot een grote diversiteit van symptomen,
zoals neurologische problematiek, hart-en vaatproblemen, psychische- of
psychiatrische problemen enz.

Formaldehyde kan leiden tot problemen met de opname en omzetting van
vitamine B12. Het mechanisme waarlangs dit gebeurt staat beschreven in het
artikel


Vitamin B12 uptake by intestinal microorganisms: mechanism and
relevance to syndromes of intestinal bacterial overgrowth


, door Giannela RA en collega’s, in J Clin Invest. 1971 May; 50(5): 1100-7.

[…] Abstract


The mechanism of bacterial uptake of vitamin B(12), the spectrum of
microorganisms capable of such uptake, and the factors involved were
the subject of this study. Bacterial uptake of vitamin B(12) was found
to be at least a two stage process. A primay uptake phase which was was
rapid (1 min or less), pH dependent, nontemperature dependent, did not
require viable organisms and was insensitive to either the metabolic
inhibitor dinitrophenol or to the sulfhydryl inhibitor
N-ethyl-maleimide. Protein denaturation ( formalin treatment or autoclaving) abolished all B(12)
uptake.


This primary uptake phase is thought to represent adsorption to binding
or ‘receptor’ sites on the cell wall. Second stage uptake was slower,
pH and temperature dependent, required living bacteria, and was
abolished by either dinitrophenol or N-ethyl-maleimide. This phase is
dependent upon metabolic processes and may reflect transfer of B(12)
from surface ‘receptor’ sites into the bacterial cell. Although
differences among organisms were observed in total 1 hr uptake, number
of surface ‘receptor’ sites, and relative avidities for B(12), all
organisms except Streptococcus fecalis shared the two stage mechanism.
Two Gram-positive organisms, Bacillus subtilis and group A
streptococcus, demonstrated the highest 1 hr vitamin B(12) uptake
values; Gram-negative bacteria required 2,000-10,000 the number of
organisms for comparable uptake. Binding constants (K(m)) varied from
5.05 +/- 1.67 x 10(-10)M for B. subtilis to 6.18 +/-3.08 x 10(-9)M for
Klebsiella pneumoniae which approximate the Km for human intrinsic
factor (0.38 x 10(-10)M.


Competition between bacteria and intrinsic factor for vitamin B(12) may
be inferred from the similarity of these constants. These observations
suggest that a variety of enteric and nonenteric organisms, not
requiring exogenous B(12), may play a role in the pathogenesis of the
vitamin B(12) malabsorption found in the intestinal bacterial
overgrowth syndromes […]

Hieruit blijkt dat behandeling met formaldehyde de B12-opname ongedaan
maakt. Het (met een zekere regelmaat) inspuiten van vaccins met daarin
resten formaldehyde zou kunnen worden beschouwd als een ‘behandeling met
formaldehyde’, waardoor de opname van vitamine B12 in meer of mindere mate
wordt tegengewerkt.

Vaccins met daarin formaldehyde kunnen ME (CVS) veroorzaken, maar met
vaccins waarin (ook nog) elektroactieve stoffen zitten ontstaat een groter
risico op diverse typen leukemie en andere kankersoorten.

Literatuur betreffende de gevaren van formaldehyde

Over de gevaren van het gebruik van formaldehyde is al het nodige
gepubliceerd. Daarom geef ik hier enkele verwijzingen naar publicaties over
eerdere onderzoeken hiernaar:

* (Internationaal Centrum van Onderzoek naar Kanker, afhankelijk van WGO)
heeft het formaldehyde als

kankerverwekkend, persbericht n°153, 15 juni 2004 ingedeeld:

http://www.iarc.fr/en/media-centre/pr/2004/pr153.html


Yaqin Pan et William J. Rea, Formaldehyde Sensitivity, Clinical Ecology
VI(3): 79-84,

http://www.aehf.com/articles/A44.htm

* Thrasher JD, Kilburn KH, « Embryo toxicity and teratogenicity of formaldehyde.”, Arch
Environ Health. 2001

Jul-Aug;56(4):300-11


Depletie van fosfor en een groter risico op celdegeneratie en
ontwikkeling van kanker

Omdat aluminiumhoudende vaccins leiden tot depletie van onder meer fosfor,
kunnen deze vaccins op termijn leiden tot celdegeneratie en de ontwikkeling
van kanker.

Deze uitwerking van aluminiumhoudende vaccins werd tot nu toekennelijk
altijd over het hoofd gezien. Al sinds de invoering van vaccinaties – en
met name van aluminiumhoudende vaccins – zien medici een gestage toename
van de incidentie van kanker en degeneratieve aandoeningen.

Vanuit de wetenschap dat aluminumhoudende vaccins leiden tot depletie van
fosfor , worden deze observaties ineens heel begrijpelijk:

De energievoorziening

In het lichaam dient fosfor/fosfaat voor de opbouw van energierijke
fosfaten, en is als zodanig betrokken bij vele stofwisselingsprocessen: ATP
(adenosinetrifosfaat), ADP (adenosinedifosfaat) en kreatinefosfaat. Via het
proces van fosforylering wordt in de mitochondriën ADP omgezet in ATP. Bij
de daaropvolgende afbraak van ATP komt energie vrij die het energielichaam
voedt. Ik noem dat ‘vrije ATP-energie’.

Zoals ik in mijn studie naar de dynamiek van het veldcontact nader uitleg,
dient de energievoorziening door de mitochondriën op energiek niveau het
veldcontact plus de vorming van nieuwe structuren op eiwitniveau. Celdeling
vergt behalve aansturing door de morfogenetische velden ook vrije energie
als sub-atomaire basis voor de vorming van de nieuwe cellen.

ATP levert ook de energie die we nodig hebben om goed te kunnen
functioneren. Te weinig ATP leidt ook tot vermoeidheid.

Degeneratie

Normaliter zet cycline-afhankelijk kinase via fosforylering aan tot
celdeling volgens de blauwdruk die voor het celdelingsgen geldt. Hiervoor
is een bepaalde hoeveelheid fosfor nodig die we via een normaal
voedingspatroon dagelijks binnenkrijgen. Krijgen we echter te weinig fosfor
binnen of verliezen we teveel fosfor door depletie, dan kan de celdeling
vertragen, waardoor degeneratie kan gaan optreden. Als lichaamscellen niet
tijdig worden vervangen, dan treedt verval op. Allerlei degeneratieve
processen krijgen zo een kans.

Fosfor/fosfaat is ook betrokken bij de opbouw van celmembranen. Door gebrek
aan fosfor gaat de kwaliteit van de celmembranen achteruit en dat kan weer
leiden tot degeneratie van cellen.

Een verminderde fosforylering – bijvoorbeeld door een verminderde
beschikbaarheid van fosfor – is echter ook een risicovariabele voor de
ontwikkeling van kanker, omdat:

· hierdoor de kwaliteit van het veldcontact zodanig wordt geschaad dat de
actuele – aan de mens aangepaste – remming op de celdeling minder sterk
wordt,

· er bij de celdeling eerder ‘fouten’ ontstaan doordat er minder aansturing
is van het proces, waardoor er meer kankergevoelige afwijkende cellen
ontstaan,

· Kankercellen hebben een sterkere neiging tot deling dan normale cellen.
De beschikbare vrije energie zal daarom eerst worden gebruikt bij de
vorming van nieuwe kankercellen. Omdat er daardoor een nog groter tekort
ontstaat voor de normale regeneratieve celdeling, zullen er minder normale
lichaamscellen kunnen worden vervangen, waardoor er eerder degeneratie van
het lichaam optreedt. Gedegenereerde cellen veranderen makkelijker in een
kankercel.

Nogmaals gebrek aan vitamine D en kanker

Op 15-6-2009 ontving ik van NaturalNews.com een verslag van een
recente onderzoekspublicatie betreffende de relatie tussen gebrek aan
vitamine D en het ontstaan van kanker. Omdat dit een aanvullende oorzaak
betreft van het ontstaan van kanker door gebrek aan vitamine D en daardoor
ook van gebrek aan fosfor, zal ik dit verslag hieronder weergeven.

[…] Low Vitamin D May Be Root Cause of Cancer


What initially causes cancer to develop? The current scientific model
assumes a genetic mutation begins the genesis of a malignancy. But what
if that assumption is wrong and there’s another key to start of cancer?
Scientists at the Moores Cancer Center at the University of California
(UC) in San Diego have raised that possibility. And they’ve come up
with another, brand new model of how cancer develops.


Reporting online in the current Annals of Epidemiology, they point to a
host of research that suggests cancer develops when cells lose the
ability to stick together in a healthy, normal way – and the key factor
to this initial triggering of a malignancy could well be a lack of
vitamin D.


In the article, Cedric Garland, DrPh, professor of family and
preventive medicine at the UC San Diego School of Medicine, and his
research team explain that previous theories associating vitamin D with
many cancers have been tested and confirmed in over 200 epidemiological
studies. In addition, more than 2,500 laboratory studies have been
conducted that provide an understanding of the physiological basis of
vitamin D’s link to cancer.


According to Dr. Garland, researchers have documented that with enough
vitamin D present, cells adhere to one another in tissue and act as
normal, mature epithelial cells. But if there is a deficiency of
vitamin D, cells can lose this stick-to-each other quality, as well as
their identity as differentiated cells. The result? They may revert to
a dangerous stem cell-like state and become cancerous.


In a statement to the media, DR. Garland suggested that much of the
process that starts cancer in the first place could be stopped at the
outset by maintaining enough vitamin D in the body. “Vitamin D may halt
the first stage of the cancer process by re-establishing intercellular
junctons in malignancies having an intact vitamin D receptor,” he said.
And, he added, that if diet and supplements restore appropriate levels
of vitamin D, the development of cancer might be prevented. According
to Dr. Garland, vitamin D levels can be easily increased, if needed, by
modest supplementation with vitamin D3 in the range of 2000 IU/day […]

Hoewel ik zelf denk dat er bij kanker meerdere causale variabelen zijn
betrokken – waaronder verstoord of verzwakt veldcontact en/of genmutaties –
lijkt gebrek aan vitamine D toch zeker op ‘eiwitniveau’ daarbij toch wel
een erg belangrijke factor te zijn waarvan de toename – opmerkelijk genoeg
– synchroon lijkt te lopen aan en toename van kanker sinds de invoering van
steeds grootschaliger vaccinatieprogramma’s en het massale en nog
toenemende gebruik van cholesterolverlagende statines, die ook de spiegel
van vitamine D verlagen.

Net zo goed als genmutaties kunnen leiden tot een op hol slaan van de
celdelingscyclus van cellen, kan dat ook gebeuren door een tekort aan
bepaalde essentiële stoffen, zoals fosfor en vitamine D.

Gebrek aan vitamine D speelt op verschillende – en elkaar versterkende –
manieren een rol bij het ontstaan van kanker:

· T-helpercellen bevatten receptoren voor vitamine D, dat dient als
immunomodulator. Bij gebrek aan vitamine D verzwakt de functie van het
immuunsysteem, dat daardoor minder actief de maligne geworden cellen
elimineert, waardoor deze een kans krijgen zich tot tumoren te ontwikkelen.
(Zie voor nadere uitleg de bespreking van het immuunsysteem.)

· Depletie van vitamine D leidt ook tot een verlaagde beschikbaarheid van
fosfor. Gebrek aan fosfor faciliteert het ontstaan en de progressie van
kanker, doordat het leidt tot een neiging tot het op hol slaan van de
celdelingscyclus. (Dit mechanisme wordt hierna besproken.)

· Gebrek aan vitamine D kan ertoe leiden dat cellen hun differentiatie
verliezen en terugkeren naar een stadium waarin ze een sterkere neiging tot
delen krijgen, zoals ook bij stamcellen het geval is. Een sterkere neiging
tot delen is één van de risicovariabelen voor de ontwikkeling van kanker,
waarbij de celdelingscyclus op hol slaat.

Samen jagen de laatste twee genoemde effecten van gebrek aan vitamine D de
druk op de celdeling op, waardoor als het ware een ‘dubbele’ versterking
van de neiging tot ontsporen van de celdeling optreedt. En als er dan op
die manier maligne cellen ontstaan, dan faalt het immuunsysteem om deze
tijdig op te ruimen.

Langs deze drie elkaar versterkende mechanismen kan vitamine D-deficiëntie
één van de belangrijkste risicovariabelen voor kanker zijn.

Vitamine D wordt verlaagd door aluminium hydroxide in vaccins.

Hoe een door vaccinaties verlaagde zinkspiegel kan leiden tot een groter
kankerrisico

Er is nog een reden waarom aluminium in vaccins (borst)kanker in de hand
werkt. En dat is via verlaging van de zinkspiegel. Maar ook vaccinaties met
vaccins zonder aluminium en/of kwik kunnen leiden tot verlaging van de
zinkspiegel.

Vaccinaties werken langs verschillende in deze studie besproken mechanismen
verlaging van de zinkspiegel in de hand:

  • Het a-specifieke stress-syndroom, dat leidt tot de aanmaak van
    stresshormonen (cortisol). Gecombineerde vaccins (BMR, DKTP e.a.)
    leiden tot zwaardere stress.
  • Detoxificatie van aluminium-hydroxide, kwik en andere in vaccins
    aanwezige giffen.

Metallothioninen (MTN)

MTN is een zwavelhoudend eiwit met een grote affiniteit voor koper, zink,
lood, cadmium, kwik en andere zware metalen. MTN speelt een rol bij :

  • detoxificatie van toxische zware metalen.
  • Intracellulair beschikbaar stelen van koper en zink voor inbouw van
    deze metalen in metallo-enzymen.
  • Handhaven van de zinkhomeostase in het lichaam.

Zware metalen en corticosteroïden kunnen de vorming van MTN induceren,
waardoor een onmiddellijke verlaging van het extracellulaire zinkgehalte
optreedt, die vanuit leverreserve wordt aangevuld. Is er geen reserve, dan
wordt zink uit de membranen gehaald, waardoor een verminderde
membraanstabiliteit optreedt en verminderde protectie tegen
lipidperoxydatie.

Doordat er elektro-actief zink uit de membranen wordt gehaald, kunnen er
ten gevolge van ladingsverschuivingen in de membranen veranderingen
optreden in de bipolariteit van de dubbele laag fosfolipiden waaruit deze
celmembranen zijn samengesteld. Normaliter worden deze fosfolipiden bij
elkaar gehouden door de bipolariteit die het gevolg is van de hydrofobe en
hydrofiele uiteinden van deze fosfolipiden. Als er dan ineens een
ladingsverschuiving optreedt, dan kan die samenbindende kracht verzwakken
of in ernstige gevallen zelfs wegvallen, waardoor gaten kunnen ontstaan in
de celmembranen, dat wordt elektroforese van celmembranen genoemd. Eveneens
kunnen de ‘tight junctions’ tussen cellen onderling losraken, waardoor er
ook gaten kunnen ontstaan in slijmvliezen en de bloed-brein-barrière.

In extreme gevallen – waarbij voorafgaand aan vaccinatie reeds sprake is
van een (erg) lage zinkspiegel kan een vaccinatie net de druppel zijn die
de emmer doet overlopen en leiden tot een heuse zinkdeficiëntie. De
a-specifieke stressrespons – naar aanleiding van de vaccinatie – leidt op
zich al via de vorming van meer cortisol tot dat zinkvretende
MTN-mechanisme (om cortisol onschadelijk te maken) en als er dan ook nog
aluminium en/of kwik in de vaccins zit, dan moet dat MTN-mechanisme nog
harder werken en wordt er nog meer zink voor dat doel verbruikt.

Vaccinaties kunnen dus leiden tot een sterke verlaging van de zinkspiegel.
En als er met relatief korte tussenpozen een aantal malen wordt
gevaccineerd, dan krijgt de zinkspiegel niet of nauwelijks de kans om zich
weer te herstellen. En dat kan vervelende gevolgen hebben voor eiwitten en
enzymen die zink nodig hebben om zich naar behoren te kunnen vormen.

Als er een groot tekort ontstaat aan zink, dan kan het gebeuren dat
bepaalde eiwitten en/of enzymen misvormd raken en daarom niet naar behoren
kunnen functioneren.

Eén zo’n eiwit dat niet zonder zink kan is het eiwit waarvoor normaliter
wordt gecodeerd door het p53-gen, dat onmisbaar is ter voorkoming van
kanker.

Om duidelijk te maken wat p53 doet en welke rol zink daarbij speelt, zal ik
even citeren uit een bericht dat ik op 17-5-2012 ontving van Noorderlicht (Wetenschap 24).


[…] Aan het Cancer Institute van New Jersey analyseerden wetenschappers
het effect van ruim 48 duizend stoffen op een panel van 60 tumor
cellijnen. Eén daarvan was in staat een door mutatie vervormd p53-eiwit
te heractiveren zodat de tumorcel zelfmoord kon plegen.



Vier op de vijf vormen van kanker wordt veroorzaakt door een fout
in het p53-eiwit.



Het is daarmee het eiwit dat het meest wordt geassocieerd met
tumorvorming. Dat komt door zijn belangrijke functies, die er voor
zorgen dat de cel op een gecontroleerde manier kan delen.


Als het eiwit vervormd is door een mutatie in het p53-gen kan het die
functies niet meer uitvoeren en wordt de cel oncontroleerbaar. Hij kan
zich dan onbeperkt gaan delen, wat resulteert in een tumor.


Drie wetenschappers van het Cancer Institute van New Jersey vonden een
stof die zo’n vervormd p53-eiwit weer terug kan vormen naar een
werkzame staat. Deze verbinding, een thiosemicarbazon met de naam
NCS319726, is onderdeel van een grote database van stoffen die een
negatief effect op tumorcellijnen hebben. Ze werden allemaal toegediend
aan een zestigtal verschillende typen tumorcellen. Deze ene bleek
vooral effectief in cellen met een gemuteerd p53-gen, maar niet in
cellen met een normaal p53.


Het thiosemicarbazon kan een zink-molecuul aan zich binden.

Wanneer het p53-eiwit wordt gemaakt, heeft het een zinkmolecuul
nodig om goed gevouwen te kunnen worden.

Bij sommige mutaties is er geen zinkmolecuul. De gevonden stof kan dat
molecuul leveren, zodat p53 alsnog op de juiste manier gevouwen kan
worden, zelfs als het eiwit al vervormd is.


Maar waarom is p53 nu zo belangrijk? Hein te Riele, onderzoeker bij het
Nederlands Kanker Instituut, legt uit dat p53 er voor zorgt dat
celdeling op een normale manier verloopt.

‘Als p53 niet meer werkt, kan de cel zich blijven delen. Het eiwit
zorgt namelijk niet alleen voor een gecontroleerde celdeling, maar
kan de cel zelfmoord laten plegen wanneer het misgaat. Zo ontstaat
er dus een tumor.’


‘Er zijn natuurlijk veel meer eiwitten betrokken bij celdeling en
zelfmoord, maar

tachtig procent van alle vormen van kanker heeft een mutatie in het
p53-eiwit.’

[…]

Bij een ernstig tekort aan zink kan het gebeuren dat er p53-eiwitten worden
gevormd die dat onmisbare zinkmolecuul missen en die daarom dus
disfunctioneel worden. Cellen waarin dat gebeurt, veranderen daardoor in
kankercellen.

Normaliter zorgt het immuunsysteem er voor dat cellen die zich ‘misdragen’
snel worden opgeruimd, zodat het in de meeste gevallen van ‘ontsporing van
de celdeling’ toch nog goed afloopt.

Maar…….zink is ook onmisbaar voor een goed functioneren van het
immuunsysteem. En als het immuunsysteem niet naar behoren kan functioneren,
dan worden lang niet alle ontspoorde cellen tijdig opgeruimd en wordt het
risico op kanker (tumoren en leukemie) aanzienlijk groter.

Het zal duidelijk zijn dat vaccinaties bij individuen met een reeds
bestaande verlaging van de zinkspiegel kunnen leiden tot een echte ernstige
zinkdeficiëntie en dientengevolge ook tot een verhoogd risico op kanker
(tumoren).

En gaat de toename van de incidentie van kanker – ook bij kinderen – niet
hand in hand met de toename van het aantal vaccinaties (al of niet met
daarin elektroactieve stoffen) dat kinderen en volwassenen te verstouwen
krijgen?

Daling van de zinkspiegel bij ouderen

Er zijn diverse variabelen die kunnen leiden tot verlaging van de
zinkspiegel en eentje daarvan is de leeftijd. Bij het ouder worden neemt
vaak de absorptie van zink af. En juist ouderen krijgen met regelmaat een
oproep tot vaccineren tegen de seizoensgriep. Ook zonder elektroactieve
stoffen in die griepprik daalt hierdoor de zinkspiegel aanzienlijk. En als
die dan met moeite weer wat op peil probeert te komen, is het weer tijd tot
de volgende aanslag op de zinkspiegel en daardoor ook op het immuunsysteem.

Bovendien hebben ouderen al meer foutjes in hun DNA door het relatief grote
aantal celdelingen dat ze al achter de rug hebben. Als dan ook nog het
p53-eiwit in hun cellen onklaar raakt, dan wordt de kans op kanker nog
groter dan die meestal bij ouderen al is.


Evidentie voor de invloed van elektroactieve stoffen op eiwitten

Dit artikeltje over het vervormde p53-eiwit levert tevens evidentie voor
het gegeven dat elektroactieve stoffen invloed kunnen uitoefenen op de
vouwing van eiwitten.

Zink is een elektroactieve stof en is daarom nodig voor een juiste vouwing
van het p53-eiwit, insuline en nog talloze andere eiwitten en enzymen.

We zagen dat de verkeerde vouwing van het p53-eiwit kon worden opgeheven
door de elektroactieve invloed van dat zinkmolecuul. Het elektroactieve
zink beïnvloedt dus de manier waarop dat eiwit wordt gevouwen en daarmee de
ruimtelijke structuur van dat eiwit.

Op dezelfde manier oefenen ook andere elektroactieve stoffen – zoals kwik
en aluminium – invloed uit op de vouwing van eiwitten. Omdat kwik en
aluminium van nature niet nodig zijn om lichaamseigen eiwitten hun juiste
vouwing te geven, is de invloed die er van deze laatstgenoemde stoffen
uitgaat niet natuurlijk. Derhalve zal er van kwik en aluminium – en andere
elektroactieve stoffen in vaccins zoals MF59 enz. – alleen maar een
misvormende invloed op eiwitten kunnen uitgaan.

De elektroforese van celmembranen die ook door gebrek aan zink of teveel
van kwik en aluminium enz. kan worden veroorzaakt is ook nog eens een
kankervariabele. Want in lekke cellen kunnen stoffen binnenkomen die er
niet horen en die vervolgens het mitochondriaal- en het kern-DNA kunnen
aantasten.

De functie van het MTN-mechanisme wordt onderwezen op opleidingen voor
natuurgeneeskunde. Het NKI weet dat het p53-eiwit zink nodig heeft om zich
goed te kunnen vouwen. Hans Seley publiceerde jaren geleden al over het
a-specifieke stress-syndroom.

Over de ‘misfolding’ van eiwitten door elektroactieve invloeden zijn de
laatste jaren tenminste 4 boeken verschenen (waarvan eentje vanuit
Utrecht). En toch verklaren de gezondheidsautoriteiten vaccinaties nog
steeds volkomen veilig omdat de bijwerkingen te verwaarlozen zouden zijn en
breken de duurbetaalde ‘knappe koppen’ zich zogenaamd het hoofd over de
reden van de alsmaar toenemende kankerincidentie. Weggegooid geld.

Toch wel erg lucratief: miljarden winsten in de vaccinatiesector en
vervolgens ook nog eens giga-omzetten in de kankerindustrie en middelen
tegen door vaccinaties veroorzaakte chronische aandoeningen.




Vaccinaties en de verdubbelde kankerincidentie bij honden en katten

Op 1-10-2013 brachten de media nieuws betreffende de toename van kanker bij
huisdieren. Kranten en tv besteedden aandacht aan het item:

[…] Universiteit pleit voor ‘apk’ honden en katten

.



De Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren (UKG) van de
Universiteit Utrecht pleit in de Volkskrant voor een jaarlijkse
screening van huisdieren


[…]

Trosradar meldt:

[…] Huisdierenverzekeraar Proteq Dier & Zorg meldt dat het aantal
gevallen van kanker bij honden en katten de afgelopen jaren fors is
gestegen.

In de periode 2007 tot en met 2012 verdubbelde het aantal
kankergevallen bij deze huisdieren

[…]

Volgens het bericht zou momenteel 1 op de 3 katten doodgaan aan kanker,
terwijl dat percentage bij honden 1 op de 4 is. Dat percentage zou dus in 5
jaar tijd verdubbeld zijn. De UKG suggereert om deze kankerscreening bij
honden en katten te laten samenvallen met de jaarlijkse vaccinaties…

Met dat advies werd meteen de link gelegd tussen de toegenomen incidentie
van kanker en die van vaccinaties bij deze dieren. Iets wat ik hiervoor al
noemde voor kanker bij de mens.

Het voorgaande hoofdstuk –

Hoe een door vaccinaties verlaagde zinkspiegel kan leiden tot een
groter kankerrisico

– is dan ook volledig toepasbaar op honden en katten.

En net als mensen worden ook honden en katten steeds vaker en tegen steeds
meer ziekten gevaccineerd. Soms zonder adjuvantia en soms met verschillende
elektroactieve adjuvantia, zoals aluminiumzouten en een conserveringsmiddel
als thiomersal. Maar vaak ook met resten formaldehyde. Van formaldehyde is
bewezen bekend dat het kankerverwekkend is.

Om te laten zien op welke manieren een vaccin voor honden en katten
kankerverwekkend kan zijn, geef ik even als voorbeeld NOBIVAC® RABIES (MSD
A.H.) als voorbeeld. Het gaat om:


[…] Inactivated vaccine containing >/ 2 I.U. Rabies virus strain
Pasteur RIV per dose. Also contains Aluminium phosphate as an adjuvant.
0.1 mg/ml Thiomersal are added as a preservative […]

In het eerste levensjaar wordt enkele malen na elkaar gevaccineerd, om te
‘boosteren’.

Dan is er ook nog het vaccin RABISIN (Merial) – (bijsluiter via FAGG):

Hier gaat het ook om een geïnactiveerd rabiësvirus, dit keer met
aluminiumhydroxide als adjuvans. Ook dit vaccin moet zeer regelmatig worden
herhaald.

Pfizer heeft een multivalent rabiësvaccin, zoals VERSICAN L3R – (bijsluiter
via Fagg).

Het bevat 4 verschillende geïnactiveerde virussen en als adjuvans
aluminiumhydroxide gel. Ook hier weer enkele injecties in het eerste jaar
en daarna elk jaar een herhaling.

Behalve met ‘geïnactiveerde’ virussen werkt men ook wel met ‘levend
verzwakte’ virussen. Een voorbeeld van die laatste variant is bijvoorbeeld
Nobivac® DHPPI van MSD, dat vier verschillende levend verzwakte virussen
bevat. Vooral bij zo’n ‘multivalent’ vaccin is er vaak sprake van een
sterkere stressrespons en dientengevolge ook een sterkere verlaging van de
zinkspiegel. En zoals we in het vorige hoofdstuk zagen, geeft een te lage
zinkspiegel een groter risico op kanker.

Inactiveren/doden van levende ziekteverwekkers kan op verschillende
manieren gebeuren: thermisch, chemisch of door zuivering (gebruik van
sub-units van het micro-organisme).

Vaak wordt er formaldehyde gebruikt om de ziekteverwekkers te
inactiveren/doden.

Voor alle drie deze rabiësvaccins geldt:

  • Inactiveren/doden van een levend virus gebeurt meestal met het bewezen
    kankerverwekkende formaldehyde.
  • Van thiomersal en aluminiumzouten is ook bekend dat ze kankerverwekkend
    zijn.

Naast de ‘actieve’ risicovariabelen bestaat er dus ook nog de variabele van
de verlaging van de zinkspiegel door de stressrespons die door vaccineren
met antigenen op zich al wordt uitgelokt. Dus ook dierenvaccins zonder
aluminium, formaldehyde en/of thiomersal vormen een risico op kanker.

Niet alleen de rabiësvaccins bevatten aluminium, thiomersal of resten
formaldehyde, ook veel andere diervaccins – zoals voor honden en katten –
bevatten dit soort stoffen.

De onderzoekster Ilse Pedler ontdekte een aantal bijverschijnselen van
injecties bij honden, en zelfs nog meer bij katten, dat betrekking heeft op
het grote aantal gevallen van kanker op plaatsen waar de dieren worden
gevaccineerd. In een nieuwsbrief van de CHC is een presentatie aangehaald
door een dierenarts op een BSAVA-conferentie , waarin hij verklaarde dat
Amerikaanse dierenartsen katten vaccineren in de staart of een poot, zodat
ze het lichaamsdeel kunnen amputeren wanneer kanker optreedt.

Ook bleek uit onderzoek van de CHC dat bij 81,1 % van de honden met een
tumor of groeistoornis op de plaats van de inenting deze aandoening zich
ontwikkelde binnen drie maanden na de vaccinatie.

Evidentie voor de hierboven genoemde groeiende incidentie van kanker bij
honden en katten, sarcomen genoemd, vinden we in een artikel door drs. Erik
Wouters – Dierenarts en specialist in opleiding Chirurgie, Departement
Geneeskunde van Gezelschapsdieren, Faculteit Diergeneeskunde Utrecht.
Wouters beschrijft


Het laatste nieuws omtrent het vaccinatie geïnduceerd sarcoom bij
de kat.

Waar de verdubbeling van de kankerincidentie bij honden en katten pas op
1-10-2013 publiekelijk bekend werd gemaakt, werd door Erik Wouters al in
februari 2009 gepubliceerd over vaccinatie-geïnduceerde kankers bij katten.
Deze publicatie lijkt door de wereld van de diergeneeskunde te zijn
genegeerd en ook eerdere publicaties – vanaf 1991 – over de causale relatie
tussen vaccinaties en sarcomen bij katten hebben de wereld van de humane
medische praktijk niet blijvend gehaald.

Zowel in de diergeneeskundige praktijk als de humane gezondheidssector
namen na 1991 het aantal en de verscheidenheid van vaccinaties wel toe…
En inmiddels – 22 jaar later – sterft 1 op de 3 katten aan kanker…

Omdat onderzoekers in de dierenwereld vaak meer openheid van zaken geven
en… omdat ook in de mensenwereld de incidentie van kanker – ook onder
(meestal gevaccineerde) kinderen – gestaag toeneemt, zal ik ruim citeren
uit het artikel door onderzoeker Wouters van de Universiteit van Utrecht:

[…]

Eind jaren ’80, begin jaren ’90 werd voor het eerst gedacht aan een
mogelijke relatie tussen vaccineren en het ontstaan van fibrosarcomen
bij de kat. Een causaal verband tussen vaccineren en het ontwikkelen
van fibrosarcomen op de injectie-plaats bij katten werd in 1993
aangetoond.

(Kass PH en collega’s

(1993)

Epidemiologic evidence for a causal relation between vaccination
and fibrosarcoma tumorgenesis in cats




Journal of the American Medical Association, aug 1; 203 (3):396-405)[…]


[…]De meeste vaccinatie-geassocieerde sarcomen worden als fibrosarcomen
aangemerkt, maar andere histologische varianten zijn ook beschreven
waar onder rhabdomyosarcomen, myxosarcomen,chondrosarcomen en maligne
fibreuse histiocytomen. Veel van deze sarcomen worden geassocieerd met
een ontstekingsreactie.


Histologisch kenmerken deze sarcomen zich door hun nucleaire en
cellulaire pleomorfisme, hoge mitotische activiteit, grote necrotische
centrale zone. Allemaal eigenschappen die passen bij een agressief
groeiende tumor.


Naast de vaccinatie-geïnduceerde sarcomen (rond 75-80% van het totaal)
komen ook (in ca. 3%) de fibrosarcomen voor – veelal multipel en op
jongere leeftijd, die in verband worden gebracht met het feline sarcoma
virus, en de (ca. 20% van het totaal) fibrosarcomen die met geen van
deze factoren verband lijken te houden.


De exacte pathogenese van vaccinatie-geïnduceerde sarcomen bij de kat
is niet bekend, maar locale irritatie en ontsteking lijken
predisponerende factoren te zijn in de transformatie naar vaccinatie
geassocieerde sarcomen. Bedacht mag worden dat dergelijke
ontstekingsactiviteit, vooral op conto van activiteit van macrofagen ,
gepaard gaat met zuurstof-radicaalvorming hetwelk een carcinogene
invloed kan hebben. Daarnaast is een dergelijke ontstekingsactiviteit
gekoppeld met hogere delingsactiviteit, die de kans op het ontstaan van
DNA-mutaties enigermate verhoogd. De tijd tussen de vaccinatie en het
optreden van een vaccinatie-geïnduceerd sarcoom varieerde van 4 weken
tot 10 jaar […]

[…] Preventie, vaccinatie-beleid


In Amerika houdt de ‘Vaccine-Associated Feline Sarcoma Task Force’ zich
bezig met het stimuleren van onderzoek en veranderen van
vaccinatie-protocollen met als doel het verminderen van het risico op
de vorming van sarcoma in katten. Geadviseerd wordt om het moment en de
locatie van vaccineren goed te documenteren. Het distale gedeelte van
de staart en van een pot worden geadviseerd als locaties om vaccins toe
te dienen. Uit chirurgisch oogpunt begrijpelijke keuzes maar praktisch
niet altijd even makkelijk uitvoerbaar. Vaccineren tussen de
schouderbladen is veelal het makkelijkst, maar een daar tot
ontwikkeling komende tumor wordt vaak laat ontdekt, verborgen als ze
zijn tussen de twee uitstekende scapulae. Nederlandse oncologen vinden
vaccinatie ter hoogte van de bovenste helft van de 12e rib
verkieslijk: een dikte wordt daar snel ontdekt, en radicale chirurgie
is veelal mogelijk (pers mededeling G.R. Rutteman & E. Teske) Een
tweede advies van de Vaccine-Associated Feline Sarcoma Task Force luidt
om de entplek regelmatig te controleren, en zwellingen die aanwezig
zijn > 3 maanden later, met een afmeting > 2 cm, of die groei
vertonen > 4 weken na de vaccinatie, chirurgisch te verwijderen […]

In zijn referenties bij dit artikel noemt Wouters publicaties in JAMA uit
de jaren 1991, 1993, 2002 en 2003. Latere publicaties houden zich niet meer
bezig met het ontstaansmechanisme van de vaccinatie-geïnduceerde sarcomen
bij katten, maar hebben betrekking op het behandelen hiervan door middel
van – meestal – opereren . Omdat men uit de eerdere bevindingen geen lering
wilde trekken en bleef doorgaan met vaccineren, richtte men zich nu op het
wegsnijden van de ontstane tumoren. Zo snijdt het mes aan twee kanten:
enerzijds de enorm lucratieve vaccinatiepraktijk bij dieren en anderzijds
de lucratieve ‘behandelpraktijk’, net zoals in de menselijke
gezondheidsindustrie.


Uit het voorgaande wordt duidelijk dat kanker als gevolg van
vaccinaties bij dieren al als normale bijwerking van deze inentingen
wordt beschouwd. Waarom wordt dan van vaccinaties bij mensenkinderen
nog steeds gesteld dat deze veilig zijn en dat zwellingen op de
prikplaats slechts onschuldige verschijnselen van voorbijgaande aard
zijn???


Wordt als bijwerking van vaccinaties bij mensen ook niet
‘vaccin-geassocieerde macrofage myofasciitis’ (MMF) genoemd???

Elders in deze studie wordt de aandoening nader besproken.

Helaas kennen we in de humane gezondheidszorg nog geen Task Force die zich
bezighoudt met het verminderen van het risico op MMF en andere – soms ook
fatale – bijwerkingen van vaccinaties …..

Normaliter worden mensen ouder dan honden en katten, zodat bij deze dieren
veel kankers niet meer de tijd krijgen om zich te ontwikkelen. Wel worden
honden en katten via een uitgebreid vaccinatieschema jaarlijks een of
meerdere keren gevaccineerd met een hele reeks diervaccins tegen allerlei
ziekten

. En sterven 1 op de 3 katten en 1 op de 4 honden aan kanker.


Hoogste tijd dus om datgene wat de Universiteit van Utrecht op
1-10-2013 zelf naar voren bracht eens te extrapoleren naar de mens. Men
luidde voor de wereld van de huisdieren (honden en katten) de noodklok,
terwijl drs. Erik Wouters van diezelfde universiteit in zijn artikel
naar voren haalt dat kanker bij katten meestal causaal is gerelateerd
aan vaccinaties…

Zou een optiek vanuit de diergeneeskunde eindelijk de vraag kunnen
beantwoorden waarom in de mensenwereld met zijn toenemend aantal
vaccinaties de kankerincidentie toeneemt???

Want dat de incidentie van kanker gestaag toeneemt blijkt uit het rapport Kanker in Nederland tot 2020 van de
Signaleringscommissie kanker (KWF Kankerbestrijding) zoals te vinden is op

http://www.preventweb.nl/nieuws/13-algemeen/165-kwf-toename-van-kanker-met-40-procent.html

De kop van het rapport luidt: […] KWF: Toename van kanker met 40 procent […]

Het rapport kwam tot stand onder voorzitterschap van prof.dr. L.A.L.M.
Kiemeney (hoogleraar kankerepidemiologie aan UMC St Radbout, Nijmegen), in
samenwerking met de vereniging van Integrale Kankercentra (VIKC). Het
rapport opent met de cursieve alinea:


[…] Vooral door de vergrijzing stijgt het aantal nieuwe gevallen van
kanker (de incidentie) met 40 procent naar 123.000 per jaar in 2020 (in
2007 nog: 87.000). Het aantal mensen dat kanker heeft of had stijgt tot
2020 van 420.000 naar 660.000. Het risico om aan kanker te sterven
neemt licht af en overlevingskansen blijven gemiddeld stijgen, door
vroegere diagnose en betere behandeling. Deze resultaten komen uit het
rapport ‘Kanker in Nederland tot 2020’ van de Signaleringscommissie
Kanker (KWF Kankerbestrijding) […]

Het is niet te ontkennen: niet alleen bij huisdieren is er een enorme
toename van kanker, maar ook bij de mens neemt de incidentie van kanker
duidelijk en extreem toe. De mens lijkt de trend te volgen die nu al bij
katten en honden duidelijk in kaart is gebracht.

Als we op deze weg doorgaan, en de waarschuwing vanuit de dierwereld in de
wind slaan, dan zal het binnen afzienbare tijd in de mensenwereld net zo
zijn asl nu bij de honden en katten.

Hoogste tijd dat het ‘kankeronderzoek’ zich gaat richten op ‘preventie’ en
daarbij de focus richt op datgene wat vaccinaties kunnen veroorzaken!!!

Aluminiumhoudende placebo’s bij vergelijkende trials

Op 9-9-2009 kwam de FDA naar buiten met

Vaccines and Related Biologocal Products Advisory Committe briefing
information.

Een van de naar buiten gebrachte documenten is Male indication for Gardasil, betreffende een trial met het
toedienen van Gardasil aan mannen/jongens.

Het blijkt dat men bij deze trial een actieve testgroep voor Gardasil had
naast een placebogroep die alleen het adjuvans aluminium kreeg, dat ook in
Gardasil aanwezig is. De gemelde bijwerkingen in beide testgroepen
ontliepen elkaar niet veel, hoewel er in beide groepen een aanzienlijke
hoeveelheid bijwerkingen werd gemeld.

Op basis van het geringe verschil tussen de actieve- en de placebogroep
werd geconcludeerd dat Gardasil dus veilig was!

Zou het echter niet zo kunnen zijn dat dat verschil tussen beide
testgroepen zo gering was omdat de bijwerkingen van Gardasil hoofdzakelijk
worden veroorzaakt door het aan dit vaccin toegevoegde aluminiumzout?

Heb ik niet vroeger bij het vak ‘Methoden en technieken van
wetenschappelijk onderzoek’, ofwel M&T, geleerd dat een valide trial
tenminste één volkomen neutrale (blanco) testgroep moet bevatten? In dit
geval hadden er dus minstens drie testgroepen moeten zijn, namelijk eentje
met het volledige Gardasilvaccin, eentje met alleen het gebruikte adjuvans
(aluminium) en eentje met alleen een neutrale oplossing zonder antigenen en
adjuvans.

Waarschijnlijk zou dan zijn gebleken dat de neutrale testgroep gen enkele
bijwerking kreeg (met uitzondering misschien van een rood plekje op de
prikplaats) en dat beide andere groepen aanzienlijk meer bijwerkingen
vertoonden. Dan zou uit de statistiek op valide wijze zijn gebleken dat
beide aluminiumhoudende testgroepen een ongeveer identiek hoog aantal
bijwerkingen te zien gaven en dat de bijwerkingen derhalve hoofdzakelijk te
relateren moesten zijn aan het gebruikte adjuvans. In dit geval aluminium.

Waarom houdt men het bij een invalide trial zonder goede blanco testgroep,
om op grond hiervan te concluderen dat Gardasil veilig is?

Volgens mij is dit met opzet zo gebeurd omdat men koste wat het kost wilde
verhullen wat men al lang wist, namelijk dat aluminium in vaccins zeer
gevaarlijk is!!!

Op 19-9-2012 vond er een FDA Meeting plaats met als onderwerp: Human Tumors for Vaccine Manufacture (VRBPAC = The Vaccines and
related Biological products Advisory Committee). Men sprak er over het
gebruik van kankercellijnen om snel vaccins te kunnen produceren. Kernthema
was de vraag: ‘Waar leggen we de risicogrens en wat vertellen we het
publiek wel of niet?’ Dat deze vaccins het risico op kanker in zich dragen
was al bekend.

http://fr.scribd.com/doc/246682536/FDA-Meeting-Human-Tumors-for-Vaccine-Manufacture

Agenda Item: Topic: 

Consideration of the Appropriateness of Cell Lines Derived from Human
Tumors for Vaccine Manufacture

Chemotherapie en lagere titers van CD4-cellen

Een natuurarts die veel kankerpatiënten in haar praktijk heeft, vertelde me
iets zeer interessants dat aansluit bij het elders beschreven ‘aidsachtige
beeld’ dat na vele vaccinaties kan ontstaan.

Zij kreeg het idee om kankerpatiënten voorafgaand aan de chemotherapie naar
een laboratorium te sturen om te laten bepalen wat de titers waren van hun
CD4- en CD8-cellen. Na afloop van een chemokuur en/of een serie chemokuren
werden opnieuw de titers van de Cd4- en Cd8-cellen bepaald. En wat bleek
nu? Door de chemokuren daalden de titers van de CD4- en CD8-cellen
aanzienlijk. De mensen bij wie die titers van CD4 en CD8 de grootste daling
vertoonden door de chemokuren bleken ook de kleinste overlevingskansen te
hebben.

Juist bij kankerpatiënten terughoudend zijn met vaccinaties, ook met
vaccinaties tegen griep

  • We zagen dus dat een reeks vaccinaties kan leiden tot lagere titers van
    CD4-cellen.
  • Chemotherapie leidt tot verlaging van de titers van CD4- en CD8-cellen.

Als we nu kankerpatiënten die al chemotherapie hebben ondergaan ook nog
eens gaan inenten, dan zullen hun titers van CD4-cellen nog eens extra
dalen en zullen ze gaan lijden aan het hierboven al beschreven
‘aids-achtige beeld’, waarbij ze nog steeds de griep waartegen ze werden
gevaccineerd kunnen krijgen, misschien zelfs alleen al vanwege de
vaccinatie. En bovendien worden ze – net zoals bij aids – ook heel vatbaar
voor allerlei andere infecties, die vervolgens een ernstiger verloop kunnen
krijgen en zelfs ook fataal worden.

Kankerpatiënten die al chemo ondergingen kunnen dus beter niet gevaccineerd
worden zonder voorafgaande bepaling van de titers van hun CD4- en
CD8-cellen.

Het is in het licht van bovenstaande onderzoeksbevindingen dan ook op zijn
minst merkwaardig dat de gezondheidsautoriteiten juist deze groep mensen –
als risicopersonen – ook nog eens blootstelt aan een nog groter risico op
gezondheidsschade.

De verschillende vaccin-gerelateerde kankermechanismen bij kinderen en
huisdieren overziend, moeten we concluderen dat er aan het gangbare
vaccinatiemodel niet te verwaarlozen gezondheidsrisico’s kleven met
betrekking tot het risico op het ontstaan van kanker en leukemie bij jonge
kinderen. En dat het derhalve onverantwoord is om nog langer door te gaan
met vaccineren.

Teunia Kuiper, 13–6-2019